| |
| | |
| |

| Na de opname van een stof (geneesmiddel, vreemde stof, anabolicum, pesticide, ...) via de mond, vinden een serie processen plaats zoals: resorptie vanuit de darm, distributie naar de verschillende weefsels, omzetting in de weefsels en tot slot afbraak en eliminatie. Naargelang van de aard van de stof, gebeuren deze omzetting en de uitscheiding sneller, trager of onvolledig. Na een éénmalige behandeling met een vreemde stof verloopt de eliminatie logaritmisch: na verloop van tijd blijft nog slechts de helft over van wat oorspronkelijk aanwezig was, na nogmaals eenzelfde periode opnieuw de helft en zo verder tot er bijna niets meer overblijft. De tijd die nodig is opdat een hoeveelheid stof in de weefsels tot de helft vermindert (= halfwaardetijd), is specifiek voor elke stof. Stoffen met een grote halfwaardetijd leveren gevaar op voor accumulatie in het lichaam van het dier. Doordat de overblijvende hoeveelheid steeds halveert, blijft er in het vlees, in theorie althans, steeds iets over. Men kan aannemen dat op een bepaald ogenblik de hoeveelheid zo laag wordt dat dit geen enkel gevaar meer inhoudt voor de consument. Men noemt deze concentratie de maximale residu limiet (MRL). MRL's zijn verschillend van product tot product en dikwijls ook afhankelijk van het weefsel in kwestie (spiervlees, vet, organen, pluimveevlees, vis). De hoeveelheid residu is afhankelijk van de aard van de toegediende stof, maar ook van een ganse reeks factoren, zoals de leeftijd van het dier, de toedieningsvorm (in voeding, door inspuiting, via implantaat, ...), de inspuitingsplaats, de dosis en de wachttijd tussen twee toedieningen.
|
| Deze vraag/antwoord-fiche is een uittreksel uit de brochure "50 vragen van de consument: een antwoord op al uw vragen over vlees, vis, gevogelte, wild, konijnen,..."
De volledige brochure is gratis te verkrijgen bij het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO) of bij het Instituut voor Veterinaire Keuring (IVK) |