OPLETTEN MET ETIKETTEN

 

DEEL 2

WEET WAT JE EET


 
 
 
DE POSITIE VAN DE VOEDSELCONSUMENT
Gewijzigde voedingsgewoonten in een veranderende samenleving

Een van de belangrijkste kenmerken van onze samenleving is dat de consument zelf nauwelijks of niet meer betrokken is bij de voedselvoorziening.
Consumenten en producenten van goederen en diensten staan in onze hedendaagse westerse maatschappij op grote afstand van elkaar.
Tengevolge hiervan, alsook door andere wijzigingen op sociaal-economisch vlak - verstedelijking, gewijzigde woon- en leefomstandigheden, veranderde gezinspatronen, om er slechts enkele te noemen - zijn onze voedingsgewoonten enorm gewijzigd.

Zo heeft onze geïndustrialiseerde samenleving bijvoorbeeld tot gevolg dat vele consumenten een efficiënt gebruik van de tijd willen en moeten maken.  Dit verklaart onder andere de behoefte aan gemakkelijk te verkrijgen en te bereiden voedsel "gemakvoedsel" of "convenience food" genoemd.  Dit voedsel is dusdanig bewerkt dat het lang houdbaar is en snel te bereiden.
        De emancipatie van de vrouw en haar grotere inschakeling in het arbeidsproces alsook een gewijzigde gezinssamenstelling (bijvoorbeeld éénpersoonshuishoudens) hebben in het succes van convenience food een grote rol gespeeld.

De vergrootte afstand tussen producent en consument heeft tevens een uitgebreid distributiesysteem in het leven geroepen en vice versa.  Ook dit heeft er toe geleid dat ons voedsel moet voldoen aan de eisen van een langere houdbaarheid (met een revolutie op het vlak van bewaarmethodes).

Dankzij een toenemende koopkracht is op het vlak van onze voedingsgewoonten een democratisering gebeurd.
        Voedingsmiddelen die tot voor 20 jaar onbereikbaar (onbetaalbaar) waren voor hele lagen van de bevolking zijn nu in het bereik gekomen van minder kapitaalkrachtige consumenten.
        Opvallend is evenwel dat deze stijgende welvaart tegelijkertijd heeft geleid tot een verschuiving in onze voedingsgewoonten naar duurdere voedingsmiddelen zoals vlees, suikerhoudende voedingsmiddelen enz..
        Daarenboven stellen we vast dat ons voedselpatroon geëvolueerd is naar een gewoonte van overdaad, en dit blijft vrijwel ongewijzigd ondanks de crisis.

Juist doordat de strijd om het naakte overleven en de zoektocht naar voedsel minder energievergend is geworden is het belang van ons voedsel voor andere dan fysiologische behoeften met name sociale behoeften enorm toegenomen.  Zo hechten westerse consumenten heel veel belang aan de genots- of gastronomische functie of is voedsel een teken van status voor velen geworden.
        Ook voedsel is immers een middel voor consumenten om hun identiteit uit te drukken.  In een tijd dat de individualisering en fragmentering van onze samenleving toeneemt blijft de behoefte aan een eigen identiteit even stringent.  Deze kan bevredigd worden door het op zoek gaan naar een eigen "levensstijl".  In de jaren '90 is het voor de consument echter niet simpel geworden om te kiezen uit een mozaïek van levensstijlen vaak gepresenteerd door idolen en helden : de drank van uw TV-ster, enz..
 
 

Is de klant nog koning ?
 

De positie van de consument is er ogenschijnlijk op vooruit gegaan.  We vinden steeds meer producten op de markt en dit in grotere variaties.
Waar we voor de tweede wereldoorlog konden kiezen uit zo'n 800 verschillende voedingsmiddelen zijn de winkelrekken nu gevuld met niet minder dan 10.000 voedingsproducten.
Een Duitse marketing-specialist telde bijvoorbeeld in 1979, dus al vijftien jaar geleden, zo'n 200 verschillende soorten brood en 1200 soorten koekjes.
Vele producten zijn technisch verbeterd en steeds meer verbruikers kunnen er door de grotere welvaartsverspreiding van genieten.

Nochtans blijft deze evolutie twijfels oproepen omtrent de positie van de consument.

Het groter aanbod vergroot geenszins de overzichtelijkheid.  Daarenboven worden heel wat producten wel gelanceerd als "nieuw" maar vormen zij niet zelden slechts een variant op een reeds bestaand product. Of worden ze enkel in een nieuwe verpakking gepresenteerd.  De vraag kan dan gesteld worden of we niet voor een schijnkeuze staan.
        Daarbij mogen we niet vergeten dat, terwijl onze eetcultuur is opengegooid voor exotische groenten en fruit, er geruisloos heel wat inheemse soorten van de markt verdwenen zijn. 

Kwaliteitsverandering houdt niet steeds kwaliteitsverbetering in.  Denk aan de vele vreemde stoffen die in onze voeding kunnen voorkomen, soms via voedselschandaaltjes de pers bereiken en massaal opschudding veroorzaken.

De informatie die aan de consument wordt aangeboden is vaak tegenstrijdig, onvolledig en verwarrend.  Bovendien blijkt heel wat informatie niet begrepen te worden door de consument.
        Het merendeel van onze voeding komt niet rechtstreeks vanuit de landbouw op ons bord.  Het maakt een ommetje via de voedingsindustrie dat het be- en verwerkt tot vaak erg ingewikkeld samengestelde voedingsmiddelen.
        Heel wat ingrediënten zijn voor talloze consumenten onherkenbare vreemde stoffen die vragen oproepen.  Additieven trekken misschien wel de, vaak geëmotioneerde, aandacht maar vele andere ingrediënten zijn even grote onbekenden.
        De beoordelingsmoeilijkheid, om als consument gezond te eten, wordt dan ook zeer hoog.
        Daarenboven blijkt uit onderzoek bij consumenten een gebrek aan voedingskennis.  Bijvoorbeeld begrippen zoals energie, eiwitten, koolhydraten en suikers worden onvoldoende begrepen. Voedingswaarde-declaratie betekent bijgevolg evenmin automatisch de oplossing.
 

Een algemeen voedingsbeleid dringt zich op. Een beleid dat aan de ene zijde meer ruimte inlast voor vorming en voorlichting van de verbruiker, maar aan de andere zijde evenzeer aandacht besteedt aan de controle op de stroom van commerciële informatie en reclame die veelal een aansporing tot verbruik inhoudt.
Deze informatiegolf dringt zich maar al te vaak op in de richting van allerlei zoete en minder zoete tussendoortjes, van 'natuurlijk', van 'gezond' snoep, van "light" maaltijden, enzovoort.  Nochtans heeft de consument zeker geen nood aan verwarring.  Een verwarring die gemakkelijk in de hand gewerkt wordt door de snelle evoluties in de relatief jonge voedingswetenschap.
Een groeiende verwarring ook door vragen in verband met de neveneffecten van onze consumptiemaatschappij: de belasting van ons leefmilieu (energie, afval, vervuiling, ...); de risico's voor de volksgezondheid (overvoeding, welvaartsziekten, ...); de problematiek van de derde en de vierde wereld; ...
In zijn zoektocht naar de rechten die hij heeft voelt de consument zich bij dit alles steeds zwakker.  Zijn afhankelijkheid wat betreft technische productinformatie is slechts één van de symptomen.

Nochtans bestaat er een wettelijke basis waarop de consument kan terugvallen.  Het recht op informatie, reeds lang erkend als een van de fundamentele verbruikersrechten, werd vertaald in verschillende richtlijnen, reglementeringen en wetten op Europees en federaal niveau.
 

 

1. ONVERPAKT IS ONBEMIND
Als u de bakker binnen stapt hebt u keuze te over. Rond, of rechthoekig, galet of huishoudbrood, groot of klein, met verschillende granenselecties, versierd met zaadjes naar keuze, met zemelen, zonnebloempitten of rozijnen enz..
Alhoewel benaming en soorten brood bij wet gereglementeerd zijn is het voor een consument een haast onmogelijke zaak er nog wijs uit te raken.

De bakker heeft alvast een informatieverplichting.  Als verbruiker hebt u bij dit niet-voorverpakt product evenzeer het recht om te weten wat u koopt: met andere woorden de benaming, om welke categorie het gaat en de prijs moeten aangeduid staan en dit alles duidelijk en leesbaar.
 
 

GEEF ONS HEDEN ONS DAGELIJKS BROOD

Gedurende eeuwen vormde brood de kern van de dagelijkse voeding.  Brood is vanuit voedingsoogpunt trouwens een prima voedingsmiddel.
In onze huidige Belgische eetcultuur staat de broodmaaltijd voor de meesten onder ons nog wel tweemaal daags op het menu maar betekent het aandeel van het brood zelf in onze totale voeding slechts een minimaal onderdeel.  Waar onze voorouders in het begin van de eeuw nog zowat 640 gram aten is dit momenteel gezakt naar slechts 135 gram of zo'n schamele 4 sneetjes.
Dit is onder meer een gevolg van veranderingen in landbouw en voedingsnijverheid, in bewaar- en bereidingstechnieken en van wijzigingen in ons leefpatroon.
 
 

VERSCHEIDENHEID TROEF

U merkt dit ook als u de bakker binnenstapt. Met de bestelling van "een" brood moet u tegenwoordig niet meer aankomen. Dat is minstens een zesgranenbrood, een melkbrood, ... of noem maar op. Het aantal benamingen lijkt onze fantasie te boven te gaan. 

Volgens de wet  bestaan er echter slechts twee categorieën brood: brood zonder meer en speciaal brood.
Beide categorieën kennen verschillende broodvormen: huishoudbrood (ofwel rond brood met kruimzijden); boulot (rond); galet (ovaal); of plaat dan wel carré (rechthoekig).

Voor brood en speciaal brood mogen verschillende soorten meel worden gebruikt. Wanneer ander dan tarwemeel wordt gebruikt dan moeten de benamingen worden aangevuld met de namen van de gebruikte granen in dalende volgorde.
Wanneer het gebruikte meel al dan niet gebuild is (dit is van zemelen en kiemen ontdaan) dan moeten ook de termen "volgraan" of "gedeeltelijk volgraan" of bruin" of "half volgraan" geafficheerd worden.
 
 

BROOD, DAAR ZIT WAT IN

Brood is in oorsprong een eenvoudig product; het werd eertijds simpelweg gemaakt van tarwemeel, water, en zout eventueel nadat het met zuurdesem gerezen was. Sinds zowat een eeuw werd zuurdesem vervangen door bakkersgist.

Niet alle meel heeft dezelfde bakeigenschappen. Meestal gaat het bij de teelt trouwens in de eerste plaats om een hoog rendement wat maakt dat voor het bakken heel wat meel met een hoeveelheid toevoegsels (overwegend vetstoffen, emulgeermiddelen en suiker) worden verkocht. Deze additieven hebben tot doel het meel te verbeteren, de bereiding van brood sneller te laten verlopen, het uitdrogen te vertragen of het deeg te doen rijzen.  Sommige van deze toevoegsels worden door de maalderijen aan het meel toegevoegd. 
Als de bakker extra toevoegsels aan het deeg bijvoegt (vetstoffen, maar ook honing, voedingszetmeel, melk, maltose, meel van peulvruchten zoals soja bijvoorbeeld, gluten,...) in een verhouding van minimaal 2 % tot maximaal 6 % (berekend op het meel niet op het gewicht van het brood) dan heet het brood speciaal.
 
 

MAG HET IETS MINDER ZIJN ?

Het gewicht van brood en speciaal brood is vastgelegd bij wet.
Het gewicht van speciale broden is lager dan dat van gewoon brood. De prijs per brood is daarentegen gelijk.

De wet bepaalt maximumprijzen voor brood. 
De maximumprijzen zijn echter enkel van toepassing zijn op brood van gebuild meel. Bestaat het uit minder dan 50 % wit meel en/of meer dan 50 % integraal meel dan is de prijs vrij.

Als brood versierd is met zaadjes, of als het korrels dan wel meel bevat van diverse graangewassen (maïs, rijst, gierst, enz.) of nog als het rozijnen, kaas, knoflook, uien, enz. bevat, ook dan is de broodprijs vrij.
 
 

WETEN WAT U KOOPT

Ook bakkers hebben een informatieverplichting zelfs al is hun product niet voorverpakt.  Hun verplichting bestaat erin de benaming met bijzonderheden, de categorie, de prijs en het gewicht aan te duiden.

Uit vergelijkend warenonderzoek blijkt dat de winkelinformatie vaak te wensen overlaat. Meerderen beperken zich tot het verschaffen van slechts enkele gegevens op de rekken of op een soms onleesbare lijst aan de muur of op een papiertje.
 
 

EEN BROOD IN EEN ZAK GEKOCHT ?

De broodzakken waarin u uw gesneden brood ontvangt laten aan de fantasie niets te wensen over: molens, wuivende korenaren, landelijke taferelen, een oude bakkersoven...  De suggestie van natuurlijk, ambachtelijk product wordt veelvuldig nagestreefd.
En dat u van haverbrood paardesterk wordt zal u vermoedelijk in die context helemaal niet meer verwonderen.

Ook de verpakking zelf heeft een zekerheid meegekregen vanuit milieu-optiek: "niet schadelijk voor de omgeving: aangenomen door de milieu-organisaties".  Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig?

Dat we het hier nalieten te praten over Samsonbrood of panda-brood heeft te maken met het feit dat het hierbij overduidelijk ging om een verkoopsstrategie met het doel voor ogen het broodverbruik bij kinderen te verhogen.  Met productinformatie heeft dit uiteraard weinig te maken.
 

 

2. GEZWICHT VOOR LICHT
SPOTS AAN: LIGHT IN !

De light-story begint in feite reeds jaren geleden. Als voorlopers vinden we vanaf de jaren zestig de "magere" zuivelproducten terug: yoghurt op basis van afgeroomde melk, enz..

Nochtans is light geen synoniem voor mager.  Het betreft in feite een zeer verwarrend fenomeen.
De term "light" bleek immers heel verscheiden ladingen te dekken:  "minder vet", "minder suiker" of "minder koolhydraten", "minder energie", "minder alcohol", "minder cafeïne"...  Het was allemaal in de rekken te vinden.  De enige constante leek het "minder".

De light-rage sloeg in de jaren tachtig fel aan.
Toen de eerste slanke "diepvriesschotels" gelanceerd werden maakten ze een enorme furore. Het leek wel het wondermiddel voor alle lijners!  Vermageren door te eten! Calorieën tellen hoefde niet meer. Alle vertwijfelde lijners gaven zich over aan de grote illussie: eten én slank zijn.
Diëten had tot dan de naam van schraal te zijn, werd geassocieerd met ziek zijn en vooral met het moeten missen van wat lekker is.
Met de light-versies van frisdranken, chips, vleeswaren, chocolademelk, soep, mayonnaise, bier werd consumptie als levensstijl extra gepromoot.
Het fenomeen sloot ook wonderwel aan bij de nieuwe fitnesscultuur waar niet alleen slank zijn, maar het zich daarbij gezond en fit voelen belangrijker was dan ooit.

Toch werd de term light niet eenduidig gebruikt. Light geeft in het algemeen aan dat er sprake is van een energie-reductie. Het zegt echter niets over de aard of de omvang van de lagere energie-inhoud. Light is evenmin altijd zo licht als men zou verwachten zo blijkt uit de onderzoek naar de samenstelling van light-producten.
In het meest extreme geval was de samenstelling niet veranderd, maar was alleen de gewichtshoeveelheid per eenheid product verminderd; denk aan light-knackebröd.

Bovendien zijn de verschillen tussen het light-product en het gewone product voor de consument moeilijk te achterhalen omdat de voedingswaarde zelden op beide varianten vermeld staat. De wetgever verplicht de fabrikant trouwens enkel om de feitelijke voedingswaarde aan te duiden als hij in de etikettering of de reclame van zijn product door beweringen hieromtrent de aandacht daarop vestigt. (zie verder onder voedingswaarde-etikettering)
 
 

LICHT OP LIGHT

Alhoewel een light-product voor de verbruiker in de eerste plaats een product betekende met minder calorieën kon het light-gamma opgesplits worden in een viertal groepen:

producten met minder vetgehalte;
producten met minder suiker of met vervanging door zoetstoffen;
producten met minder energiegehalte; en
producten met minder alcohol, minder zout, minder cafeïne.

In de eerste categorieën ging het weliswaar om minder calorieën maar bij een verminderd gehalte aan alcohol of cafeïne had dit weinig of niets hiermee te zien.

Bij de producten met beperkt vetgehalte vinden we minarines, light slasauzen, light kazen, light chips,... terug.  Het vetgehalte werd verlaagd door ofwel het vet te verwijderen zoals bij zuivelproducten ofwel door het gebruik van vetarme ingrediënten of vetvervangers zoals in vleeswaren.
Light betekent hier geen synoniem voor mager. Integendeel magere melk of magere vleeswaren hadden vaak een lager vetgehalte dan sommige light-producten.  Zo bleef ontvette ham vetarmer dan eender welke light-paté of lightsalami. 
Een verlaagd vetgehalte zei evenmin iets over het suikergehalte zodat de uiteindelijke energiewaarde niet noodzakelijk lager lag. Zo was de light versie kwasi evenwaardig aan magere chocoladmelk.

In de producten met beperkt suikergehalte vormen de frisdranken de koplopers, gevolgd door vruchtendranken, confituur, ijs, ... De zoete smaak van deze waren werd bekomen door de suiker te vervangen door kunstmatige of natuurlijke zoetstoffen. Door kunstmatige zoetstoffen te gebruiken verlaagde de energiewaarde automatisch.  Maar voor deze stoffen is een maximum aanvaardbare dagelijkse dosis vastgesteld. Vooral voor kinderen werd deze vrij snel bereikt.

Bij de producten met beperkt energiegehalte springen de light-gerechten die gewoonlijk slechts 300 kcal bevatten in het oog.  De commentaar die daarbij geuit werd was dat ze, alhoewel handig om te vermageren, zo'n kleine porties betekenden en de verzadigingswaarde zo laag was dat velen zich lieten verleiden tot het verorberen van een tweede portie of van een andere energierijke snack.  De oorspronkelijke intentie om minder energie op te nemen werd aldus volstrekt mislopen.

De light producten omvatten een hele rits van producten waarbij het erop aan komt zorgvuldig de etiketten te bestuderen. Sommige light-producten mogen dan al in te schakelen zijn in een doordachte voeding gericht op minder energie-inname maar op te letten blijft voor het teveel aan additieven, de smaak (waarover niet te redetwisten valt), de kleine porties, én de prijs! Voor heel wat light-versies moet de verbruiker immers dieper in zijn portemonnee tasten.
Bovendien kan de vraag gesteld naar de (on)zin van sommige light-producten. Calorieën tellen als het over soep gaat dat normaal al niet veel calorieën bevat... of als het over snoep gaat, wat op zich al niet in een vermageringskuur past...  Een goede voeding is vooral een gevarieerde voeding.

Wat men vooral moet vermijden is dat verbruikers om gezond te eten gaan grijpen naar speciale producten. Die bijzondere producten kunnen bij zieken een hulp zijn. In een standaard eetpatroon zijn ze niet nodig. 
Wie echt wil vermageren moet vooral zijn energie-inname beperken (minder eten) én meer bewegen.
Besef alleszins dat er geen gezonde of ongezonde voedingsmiddelen bestaan. Het draait essentieel om een gezond eetpatroon.

Vergeet evenmin dat een ideale gewicht niet gelijk is aan een ideaal figuur!

Anno 1994 blijkt de light-rage duidelijk over haar hoogtepunt heen. Zowel de verwarring als de nieuwe reglementering inzake voedingswaarde-etikettering zullen hier niet vreemd aan zijn.
Uitkijken blijft het nog steeds. Maar meer en meer wordt klaar dat de industrie het over een andere boeg heeft gegooid om haar producten aan te prijzen.  De schone schijn heeft misschien een ander uitzicht gekregen maar is niet verdwenen.
 

 

3. HET ETIKET IN ZIJN BLOOTJE
INFORMATIEVE ETIKETTERING

Sinds 1 januari 1983 moest volgens de EEG- en de Belgische reglementering op vrijwel alle voorverpakte voedingsmiddelen een uitgebreide etikettering worden aangebracht. 

Volgens dit besluit moet op het etiket aangeduid staan:

        1.      om welk product het gaat;
        2.      de gebruikte ingrediënten (volgens bepaalde regels);
        3.      de datum van minimale houdbaarheid;
        4.      eventueel bijzondere bewaarvoorschriften  en gebruiksvoorwaarden;
        5.      de naam en adres van de fabrikant, verpakker of verkoper;
        6.      indien nodig een gebruiksaanwijzing;
        7.      de plaats van oorsprong;
        8.      de inhoud (de hoeveelheid zonder verpakking);
        9.      het alcohol-volumegehalte voor dranken met een gehalte hoger dan 1,2%.

Bovendien moet volgens de Belgische wet, het etiket opgesteld zijn in de taal (talen) van de streek waar het product verkocht wordt.
 

In principe geldt deze reglementering voor alle voorverpakte voedingswaren.  Maar we moeten opmerken dat volgende producten ervan uitgesloten zijn: melkconserven, eieren en eiproducten, honing, suiker, cacao en chocolade, primeur- en bewaaraardappelen, wijn en druivenmost.
De "overblijvende" andere voorverpakte eetwaren moeten wel de wettelijk verplichte informatie bevatten. 
 

1. Productbenaming

De wettelijke benaming of verkoopsbenaming moet worden vermeld.  Het gaat dus niet om de merknaam.  Bijvoorbeeld wel koffie en niet Rombouts of Douwe Egberts; wel limonade met vruchtenextracten en niet Spa citroen of Chaudfontaine; wel bier en niet Jupiler of Stella Artois; wel spaghetti (op zijn italiaans) en niet Miracoli.
 

Nu zijn niet alle benamingen voor elke verbruiker even duidelijk. Wat zijn vruchtenlimonades en wat zijn vruchtensappen? Of wat is het verschil tussen mayonaise en salad dressing?
De betekenis van heel wat van deze begrippen is vastgelegd bij de wet. 

Maar er bestaat niet altijd een wettelijke benaming. Dan moet de "gebruikelijke" benaming vermeld worden.
Bijvoorbeeld "marsepein" of "boterkoeken".

De bedoeling volgens de wet is dat het zonder meer duidelijk moet zijn om welk product het gaat bijvoorbeeld: halfvolle melk, speciaal brood, yoghurt of gefermenteerde melk, fruitcocktail in eigen nat.

Indien nodig moet het product met een omschrijving nader bepaald worden.
 

De behandeling die het product ondergaan heeft moet eveneens vermeld worden bij de verkoopsbenaming.  Bijvoorbeeld: poeder, gevriesdroogd, gerookt, concentraat, enz..

Een voedingsmiddel dat met ioniserende straling is behandeld moet één van de onderstaande vermeldingen bevatten:

doorstraald,
door straling behandeld,
met ioniserende straling behandeld.

Let op voor fantasienamen. Deze mogen niet in de plaats van de wettelijke benaming gebruikt worden.
 
 

2. De lijst van ingrediënten

De gebruikte ingrediënten moeten worden opgesomd in dalende volgorde van hoeveelheid. Deze opsomming moet worden voorafgegaan door een vermelding die het woord 'ingrediënten' bevat.
 

Wanneer een hoofdingrediënt is samengesteld uit verschillende ingrediënten en voor minstens 25 % in het eindproduct aanwezig is dan moeten de bestanddelen van dit hoofdingrediënt worden vermeld (eventueel tussen haakjes).

De ingrediënten worden aangeduid met hun specifieke naam.

Op ketchup kunnen we bijvoorbeeld vinden:
Ingrediënten: tomatenpuree, azijn, suiker, glucosestroop, zout, kruiden, specerijen.

Op melkchocolade kunnen we bijvoorbeeld lezen: 
Ingrediënten : suiker, volle melkpoeder, cacaomassa, cacaoboter, gehard plantaardig vet, zetmeel, emulgator: sojalecithine, vanille-aroma's.

Op een mengsel van oploskoffie en chocorei vinden we:
Ingrediënten : extract van mengsel van koffie (40 %) en chocorei (60 %).
 
 

Additieven

Ook additieven worden als ingrediënten beschouwd. (tenzij zij enkel gebruikt worden als technische hulpstof of als additief van één van de ingrediënten van het voedingsmiddel.) 
Additieven moeten dus eveneens worden vermeld met de groepsnaam én met hun specifieke naam of het EEG-nummer.

De wikkel van een doos roomijs vermeldt bijvoorbeeld: 
Ingrediënten : afgeroomde melk, suiker, boter, glucosestroop, melkeiwitten, stabilisatoren: E 401 - E 407 - E 410, emulgator: E 471, natuurlijk vanille-aroma, kleurstof: 160 a.
 
 
 
SOORTEN ADDITIEVEN
 De additieven worden ingedeeld volgens hun gebruiksdoeleinden
 Aanvullend vindt u een paar producten waarin ze voorkomen
GROEPSNAAM NUMMERS (*) WERKING KOMEN BIJVOORBEELD VOOR IN
Kleurstoffen E100-E199 om de levensmiddelen te kleuren snoep
Bewaarmiddelen E200-E299 om de  producten langer te bewaren wijn, mayonaise, limonade
Anti-oxidanten E300-E399 voorkomen van aantasting door zuurstof in de lucht
Emulgatoren, geleermiddelen
a. emulgatoren
b. geleermiddelen of verdikkers
c. stabilisatoren
E400-E499
idem
idem
idem
vet en water kunnen dan gemengd worden tot één geheel (emulsie)
om te verdikken, verstevigen
behouden van de toestand
margarine

confituur

pudding, chocoladedrank, consumptieijs

Smaakversterkers groepsnaam,
gevolgd door soortnaam
versterken van de smaak soep in blik, sojasaus
Voedingszuren idem verhogen de zuursmaak, of om in het zuur te leggen  snoep, limonade
Zuurteregelaars idem regelen van de zuurtegraad consumptieijs, gebak
Anti-klontermiddelen idem tegengaan van samenklonteren van poedervormige levensmiddelen poedersuiker, zout, snoeppoeder
Kunstmatige zoetstoffen E500 geven zoete smaak, maar geen energie bier, limonade, kauwgom
Rijsmiddelen idem laten deeg rijzen zonder gist zelfrijzend bakmeel, taart
Anti-schuimmiddelen idem voorkomen van schuimvorming bij het gebruik of bij de bereiding confituur, frituurolie
Glansmiddelen idem geven een glanzende laag koffie
Smeltzouten idem smelten van kaas zonder dat het ver eruit loopt smeerkaas
Meelverbeteraars idem gelijkmatig kruim brood
(*) Dit betekent niet dat er telkens 100 kleurstoffen, 100 conserveermiddelen zijn.  Het zijn er heel wat minder.
 Sommige additieven kunnen verschillende functies tegelijk hebben (bijvoorbeeld E 220 is een stabilisator met anti-oxidantieve werking).
 

 
 
 
Additieven of toevoegsels zijn stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om bepaalde karakteristieken van de waar te wijzigen zoals

de kleur, geur en smaak: kleurstoffen, aromastoffen;
de houdbaarheid : bewaarmiddelen en anti-oxydantia;
de textuur (met andere woorden: structuur en bindingsvermogen) en stabiliteit: emulgeermiddelen, stabiliseermiddelen, geleermiddelen. 

Toevoegsels zijn dus stoffen die opzettelijk, met een bepaald doel, aan eetwaren worden toegevoegd.

Het gebruik van additieven is in België gereglementeerd.
Er bestaat een lijst van toegelaten additieven.  Met andere woorden, alles wat niet uitdrukkelijk toegelaten is, is verboden.  Bovendien is ook bepaald in welke voedingsmiddelen de additieven toegelaten zijn en in welke maximale hoeveelheid. 

De meeste additieven worden aangeduid met een E-nummer. Dat wil zeggen dat ze op Europees vlak gereglementeerd zijn.  Een B-nummer betekent dat het om additieven gaat die op EEG-niveau nog in bespreking zijn maar in België reeds op de positieve lijst staan omdat de Hoge Gezondheidsraad een gunstig advies uitbracht.  Bijvoorbeeld : B 970 = cafeïne.

De toevoegsels worden in groepen onderverdeeld.

De ingrediënten van smeltkaas zijn bijvoorbeeld: magere melk, boter, kazen, melkeiwitten en lactose, smeltzouten: E 450, E331, E 339, zout. (Smeltzouten dienen om de kaas te smelten zonder dat het vet eruit loopt.  E 339 is een anti-oxidatiemiddel.  E 450 is een emulgator-stabilisator).
 

Uitzonderingen

De opsomming van ingrediënten is niet altijd verplicht.

Bijvoorbeeld:

niet voor verse groenten en fruit die geen enkele behandeling hebben ondergaan;
niet voor koolzuurhoudend water;
niet voor gistingsazijn afkomstig van één basisproduct;
maar evenmin voor sommige zuivelproducten bijvoorbeeld yoghurt voor zover aan deze waren geen andere ingrediënten werden toegevoegd dan melkbestanddelen, enzymen en culturen van micro-organismen noodzakelijk voor de fabricage;
niet voor alcoholische dranken met minstens 1,2 % alcohol;
en niet voor voedingsmiddelen die uit één ingrediënt bestaan.  Zo hoeft bijvoorbeeld maïszetmeel (maïzena) geen lijst van ingrediënten te bevatten.  Daarnaast vinden we echter ook "maïzena-express" een sausbinder of "maïzena-plus" een samengesteld bindmiddel.  Deze laatste twee hebben wel een lijst van ingrediënten.
 
 

3. De minimale houdbaarheid

De datum van houdbaarheid moet een waarborg inhouden voor de consument dat het product zijn oorspronkelijke kwaliteiten maximaal (qua geur, smaak, kleur, voedingswaarde) tot een bepaalde tijd zal bewaren op voorwaarde dat het op de geschikte wijze wordt bewaard (en de verpakking niet geschonden werd).

Zo nodig moet de datum van minimale houdbaarheid worden aangevuld met de bewaarvoorschriften aan de hand waarvan de aangegeven houdbaarheid kan worden gewaarborgd.
Voor producten die uit microbiologisch oogpunt snel bederven is dat zeer belangrijk, daar kan immers reeds na korte tijd een gevaar opduiken voor de menselijke gezondheid.  Bijvoorbeeld: room, bereide vleeswaren, ... Op dergelijke voedingsmiddelen moet de datum van minimale houdbaarheid worden vervangen door de uiterste consumptiedatum.
 
 
De aanduiding van de datum moet worden voorafgegaan door één van volgende vermeldingen :

ten minste houdbaar tot ... (+ D + M + J)
ten minste houdbaar tot einde ... (+ M + J).

Bij voedingsmiddelen die zeer bederfelijk zijn:

te gebruiken tot ... (+ D + M)

 

 Op "ten minste houdbaar tot" volgt de datum exact tot op een dag (D) af.
Wanneer " ... tot einde" vermeld staat volgen de maand (M) en het jaar (J).
"Te gebruiken tot" moet worden gebruikt voor producten die vanuit microbiologisch oogpunt sterk aan bederf onderhevig zijn.  Op roommerken kan u dit bijvoorbeeld lezen.
 

Soms worden deze vermeldingen echter niet direct gevolgd door de datum maar door de vermelding van de plaats in de etikettering waar deze voorkomt.
Bijvoorbeeld :
"tenminste houdbaar zie zijkant verpakking" op een doosje visconserven.
 

De datering mag niet in codevorm gebeuren.  Ingekerfde aanduidingen worden als ongecodeerd beschouwd.
Er moet duidelijk een dag (D), maand (M) en/of jaar (J) worden vermeld.

Op voedingsmiddelen die minder dan drie maanden houdbaar zijn moeten de dag en de maand vermeld worden.

Op voedingsmiddelen die tenminste 3 en ten hoogste 18 maanden houdbaar zijn moeten de maand en het jaar vermeld worden.

Op voedingsmiddelen met een houdbaarheid van meer dan 18 maanden volstaat de vermelding van het jaar.  En zelfs dit is niet verplicht, uitgezonderd voor conserven.
 

Soms is de uiterste houdbaarheidsdatum moeilijk te beoordelen.
Bijvoorbeeld voor diepvriesproducten wordt vaak een datum opgegeven die verder reikt dan op (hetzelfde) etiket is aangegeven in de bewaarvoorschriften.

Bijvoorbeeld, stel dat u een diepvriesproduct koopt op 1 april 1994.
Op de wikkel staat ergens het volgende :

        (1)  Afhandelijk van de bewaartemperatuur
 
 
 

Bewaring  -  Conservation
Koelkast 
Réfrigérateur
48 u
*     -8°C
* *     -12°C
* * *     -18°C
2 dagen-jours
3 weken-semaines
3 maanden-mois

Elders op de verpakking vindt u ook:

        (2)  In functie van de maximale houdbaarheid
        (in een commerciële diepvriezer)
 
 

A consommer de préférence avant
 Tenminste houdbaar tot einde

1. '96

Beide gegevens zijn elk op zich logisch.  Het eerste gaat uit van de bewaartemperatuur in een huishoudelijk koeltoestel en het tweede van de maximale houdbaarheid van het product in een commerciële diepvriezer.
Dit zou kunnen leiden tot een verwarring bij de consument door het niet op elkaar afgestemd zijn van beide gegevens.  Volgens de eerste vermelding (1), moet u het product consumeren voor het verstrijken van maximum drie maanden.  Dit wil zeggen voor 1 juli 1994.  (Hebt u een diepvriezer met één ster, zelfs binnen de twee dagen).
Afgaande op de andere vermelding (2), zou u echter mogen zeggen dat u het product in principe kan eten tot 31 januari 1996.  (Op 1 april 1994 gekocht gaat het om een maximum houdbaarheid van 22 maanden.  Als u het pas koopt in april 1995 dan is de houdbaarheid voor u als consument heel wat korter).
Het is bijgevolg wenselijk om één enkele aanduiding op punt te stellen die beide uitgangspunten verenigt.
Zo zou in de uiterste houdbaarheidsdatum de bewaarvoorwaarden ingebouwd kunnen worden. Sommige producenten vermelden "tenminste houdbaar tot einde 1.'96 bij bewaring bij -18°C" terwijl bij de andere data aangeduid is dat het gaat om de bewaring thuis.

De bewaartijd van een diepvriesproduct wordt duidelijk benvloed door de bewaartemperatuur.  Bijvoorbeeld temperatuurschommelingen tijdens de bewaarperiode zullen niet enkel de kwaliteit van een diepvriesproduct beïnvloeden maar ook de bewaartijd inkorten .
De wijzigingen in de koudeketen zijn niet zichtbaar voor de consument.  Daarom wordt door de verbruikersorganisaties gevraagd naar een verklikkersysteem. Deze verklikkers veranderen van kleur met de verlopen bewaartijd mee. Wanneer een bepaalde temperatuur wordt overschreden verkort de bewaartijd en verandert de kleur sneller.
De kleur duidt dus op de verdere houdbaarheid van het product.
 

Ondanks de mogelijke onduidelijkheden blijft de uiterste houdbaarheidsdatum een kostbare informatie.  Weliswaar moet de betekenis naar juiste waarde geschat worden: eens de uiterste bewaardatum voorbij zal de eetwaar aan kwaliteit verliezen, ook al kan ze dan nog eetbaar zijn.
Voor gemakkelijk bederfbare voedingsmiddelen zoals melk of vlees moet men de houdbaarheidsdatum nooit overschrijden.
 

Uitzonderingen

Ook voor de verplichting inzake aanduiding van de datum van minimale houdbaarheid gelden weer heel wat uitzonderingen.

Zo is de aanduiding bijvoorbeeld niet verplicht voor

niet bewerkte verse groenten en fruit;
wijn, likeurwijn, vruchtenwijn,...
dranken met alcoholgehalte van meer dan 10 volumeprocent;
brood- en banketbakkerijproducten bestemd voor consumptie binnen de 24 uur;
azijn;
keukenzout;
suikers in vaste vorm;
consumptieijs in individuele porties. In dit geval moet de datum vermeld worden op de verzamelverpakking;
bier met zichtbare levende gistcellen;
voedingsmiddelen met een houdbaarheid van meer dan 18 maanden, uitgezonderd de conserven waarvoor de vermelding bijgevolg wel verplicht blijft.

Let op :
De datum die op eieren vermeld wordt is niet de houdbaarheidsdatum maar de periode van inpakken. (Eieren vallen niet onder deze wet op de etikettering van voorverpakte voedingswaren). Met de inpakperiode wordt een week bedoeld van donderdag 0 uur tot woensdag 24 uur. Er kunnen verschillende dagen verstrijken tussen het leggen en het inpakken.
 
 

4. Bewaarvoorschriften

Zoals uit vorig onderdeel kan worden afgeleid is het bewaarvoorschrift van groot belang onder meer omdat de wijze van bewaren de uiterste houdbaarheidsdatum kan beïnvloeden.
Is dit het geval dan moet de wijze van bewaren (aan de hand waarvan de aangegeven houdbaarheid gewaarborgd is) verplicht vermeld worden. Bijvoorbeeld: droog bewaren, in de koelkast,...

Maar voor de consument spelen ook de optimale kwaliteiten van het product belang. Voor rijst zouden bijvoorbeeld de wenken "koel, luchtig, droog en niet in contact met sterk geurende producten bewaren" wenselijk zijn. Volgens testen blijkt deze informatie echter achterwege gelaten.

Opmerkingen:

Een beperkt aantal voedingsmiddelen lijken uitwendig op conserven maar zijn dat in feite niet.  Zij zijn slechts een beperkte tijd houdbaar en moeten koel bewaard blijven.  Ze dragen soms de vermelding "koel bewaren" of "beperkt houdbaar".
        Het meest gekende voorbeeld is ansjovis in blik.  Hier staat vaak "half- of semi-conserve" op.

Chocoladedranken of vruchtesappen bevatten niet altijd precieze bewaringsrichtlijnen.  Eens de verpakking geopend moet deze bewaard worden in de koelkast en is het best de inhoud redelijk vlug te gebruiken, namelijk binnen de drie dagen.

Iets koel bewaren betekent tussen 2°C en 4°C, dit is in de koelkast.  Ook de bewaringsduur van voedingsmiddelen in de koelkast is beperkt.

Ingevroren of diepgevroren  producten bewaart u in een vrieskast of vriesbak. De koudeketen mag nooit verbroken worden.  Ontdooide producten nooit opnieuw invriezen !
        De bewaartijd van ingevroren producten in een vrieskast of vriesbak hangt onder meer samen met het aantal sterretjes die op uw toestel staan aangeduid:
 
 

          *   :  temperatuur  - 6°C : bewaringstijd  =  4 à 5 dagen
         **   :  temperatuur - 12°C : bewaringstijd  =  2 à 4 weken
        ***   :  temperatuur - 18°C en lager : bewaringstijd = 1 à 2 jaren.

        De bewaringsduur op - 18°C hangt ook af van het product.


 

5. Gebruiksaanwijzing

De gebruiksaanwijzing is wettelijk verplicht wanneer de consument bij gebrek aan uitleg niet precies kan weten hoe het voedsel te eten.

Bijvoorbeeld:

diepvriesproducten laten ontdooien of niet, vooraleer de bereiding te beginnen;
schudden voor gebruik bij sommige desserten, sauzen;
bepaalde sauzen al dan niet opwarmen.

Voor sommige producten is zelfs een zeer omstandige gebruiksaanwijzing nodig.  Denk aan puddingpoeder, mix voor nasi of bami, aardappelpuree. 

Op originele japanse noodlesoep lezen we bijvoorbeeld:
1. Open deksel tot stippelllijn. Voeg kokend water tot binnenrand.   2. Deksel sluiten.   3 minuten laten staan. Goed roeren.
En nog : niet opwarmen. Voorzichtig met kokend water.
 
 

6. Naam en adres van de fabrikant

Verplicht zijn ook de naam en het adres van de producent of verpakker of van de verkoper gevestigd binnen de EG.
Op die manier weten de consument en de controle-organismen tot wie zich te wenden in geval van klachten over het product.
 
 

7. Herkomst

De plaats van herkomst of oorsprong moet vermeld worden indien het weglaten daarvan de verbruiker zou kunnen misleiden in verband met de werkelijke plaats van herkomst of oorsprong van het voedingsmiddel. Een blik "Italiaanse ravioli" (met de Italiaanse kleuren en al) dat echter in België werd geproduceerd, moet dat ook duidelijk maken.

Het is trouwens verboden in de etikettering gebruik te maken van aanduidingen of andere vormen van presentatie die de koper kunnen misleiden t.a.v. de oorsprong of de herkomst van de waar.
 
 

8. De nettohoeveelheid

De nettohoeveelheden (dus zonder verpakking) moeten volgens de wet uitgedrukt worden in volume (liter, cl of ml) of in gewicht/massa (kg of g).

Er zijn weer specificaties en heel wat uitzonderingen op deze verplichting. 

Enkele uitzonderingen:

Voor voedsel dat gewicht verliest en per stuk verkocht wordt moet niet de nettohoeveelheid opgegeven worden;  bijvoorbeeld, niet-luchtdicht verpakte vleeswaren zoals salami's.
Een voedselproduct dat met meerdere tesamen verpakt is moet geen totale hoeveelheidsaanduiding bevatten als de hoeveelheid van één stuk en de verschillende stuks die in de verpakking steken duidelijk zichtbaar zijn.

Wanneer een opgietvloeistof wordt gebruikt moet men zowel het totale gewicht als het uitgelekt gewicht kunnen aflezen.  Bijvoorbeeld: "Champignons totaal gewicht 225 g, netto uitgelekt 165 g"; of "rolmops totaal 500 g, uitgelekt 375g".
Niet-gebruiksklare soepen (die met water moeten aangelengd worden) mogen de totale hoeveelheid (in volume) van het etensklaar product vermelden  Bijvoorbeeld 500 g diepgevroren soep mag vervangen worden door "één liter tomatensoep etensklaar".

Een weetje:

Eieren worden ingedeeld volgens kwaliteit maar ook naar gewicht.  Zo wegen bijvoorbeeld eieren uit categorie 3 tussen 60 en 65 g. 
 

Bijkomende informatie die op de verpakking kan voorkomen na het gewicht of de inhoud van de verpakking is het symbool "e".  De betekenis hiervan vinden we terug in de wet. 
Bijvoorbeeld een voedingsmiddel dat tussen 200 en 300 g weegt mag maximaal 9 g afwijken van het vermelde gewicht; weegt het tussen 500 en 1000 g dan mag het maximum 15 g afwijken.
De vermelding e is niet verplicht maar indien de fabrikant ze aangeeft dient hij zich aan de marge te houden. Dit heeft voor gevolg dat het product, wat betreft het gewicht, in orde is om vrij verkocht te worden in de Europese Unie.

Gemiddeld mag de werkelijke inhoud van voorverpakkingen niet kleiner zijn dan de nominale (dit is de aangegeven) hoeveelheid. In de praktijk kan echter voor een individueel specimen van de voedingswaar de werkelijke inhoud toch minder zijn. De afwijking moet binnen beperkte marges blijven. Deze marges zijn vastgelegd bij dezelfde wet in 1979. 
 
 

9. Alcoholgehalte in volume %

Voor dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumepercent moeten het alcoholvolumegehalte  aangeduid worden.
Dit aangeduide alcoholvolumegehalte mag hoogstens 0,5 volumeprocent afwijken van het werkelijke gehalte.  Elke vermelding van het alcoholgehalte anders dan in volumeprocent uitgedrukt is verboden.
 
 

10. Niet-misleidende informatie

In de etikettering of in de nabijheid van de voedingsmiddelen, in handelsdocumenten of in prospectussen die betrekking hebben op voedingswaren is het verboden gebruik te maken van benamingen, aanduidingen, afbeeldingen, tekens of andere vormen van presentatie die de koper kunnen misleiden t.a.v. de oorsprong, de herkomst of de hoeveelheid van de waar. 
 
 

DE ETIQUETTE VAN ETIKETTEN

Het etiket mag voor de consument dan al een belangrijke bron van informatie zijn, de inspanningen die hij moet ondernemen om die informatie te ontdekken en te ontcijferen tussen alle andere gegevens zijn niet gering.

Uit talrijke consumententesten blijkt dat de fabrikant zijn etiket overduidelijk beschouwt als een verkoopselement.  De wettelijk verplichte vermeldingen verzinken soms in het niets naast reclameslogans en afbeeldingen, naast allerhande beweringen en worden alvast minder opvallend afgebeeld dan bijvoorbeeld officiële en andere keurmerken.

In de onderzoeken van Test Aankoop in de winkelrekken vinden we talrijke voorbeelden.

Vaak vinden we op het etiket mooie beelden en kleurrijke verwijzingen naar de samenstelling terwijl uit de lijst van ingrediënten een andere indruk zou kunnen onstaan.
Een bananen- of andere fruityoghurt, waarvan in de ingrediëntenlijst de fruitbestanddelen slechts minimaal voorkomen of onder de vorm van aroma's, lijken ons een te mooie voorstelling van zaken.

Ontbijtgranen die in het groot uitsmeren dat ze vitamines en/of mineralen bevatten maar nauwelijks of verdoken spreken van de vaak aanzienlijke hoeveelheid enkelvoudige suikers rekenen we meer tot de verleidelijke etiketten dan tot een  informatieve voorstelling. We kunnen ons trouwens de vraag stellen naar het nut van extra-vitamines wanneer kinderen een gevarieerde voeding opnemen. De tekenfiguren spreken de doelgroep van kinderen uiteraard sterk aan. Van hen kunnen we ook niet verwachten dat ze de wettelijke informatie bestuderen.

Chocolademelk scoort een goede notering voor de etikettering maar sommige poederproducten durven wel eens nalaten de vermelding "cacaofantasie" op te geven. Te weinig merken wijzen echter op het feit dat hun gesteriliseerde producten eenmaal geopend slechts beperkt houdbaar is in de koelkast.

De etiketten van kalkoen"gebraad"  beantwoorden in grote lijnen aan de wettelijke voorschriften maar schieten wel eens tekort als het aankomt op identificatie van fabrikant of importeur alsook inzake bereidingswijze.
 

Op porto-etiketten  staat vaak te veel wervende tekst (bijvoorbeeld "fine"... "imperator"... "old fine"...) waaraan men best niet teveel geloof hecht, en soms uit de lucht gegrepen aanbevelingen inzake het bewaren en serveren. De veelal engelstalige terminologie is weinig nuttig door zijn onverstaanbaarheid. Vooral vervelend is dat in veel gevallen nog steeds een adres ontbreekt of de naam van de invoerder, de verdeler of de plaatselijke bottelaar.
Nog minder consumentvriendelijk is de gelijkenis in etiket en flessen van sommige Franse aperitiefwijnen met Port.

De etiketten van koffie verschaffen de wettelijk verplichte informatie maar die is ook minimaal. De gemiddelde houdbaarheidstermijn die volgens sommige etiketten oplopen tot negen maanden lijken ruim gemeten. Men gaat er immers van uit dat gemalen koffie in vacuümverpakking best niet langer dan zes maanden bewaard wordt.

Bij voorverpakte salades spreekt Test Aankoop ronduit van een slechte etikettering. Krabsalades waarop de verhouding tussen echte krab en surimi (een visproduct) vaak niet te achterhalen is; vleessalades waar het gehalte aan en de aard van het vlees niet opgegeven wordt; enz...  De visuele voorstelling is anders verleidelijk genoeg. Ook bewaarvoorschriften ontbreken soms.

Bij garnalen heb je vaak het raden naar de soort en de herkomst. Het gebruik van bewaarmiddelen bij diepgevroren grijze garnalen is niet te achterhalen.  En de roze verpakking van roze garnalen maakt het onmogelijk om de garnalen echt te beoordelen.  De vermelding van een contactadres van producent of importeur wordt eveneens in een aantal gevallen nagelaten.

...

In welhaast elke vergelijkende warentest, die u ook zelf kan doen door het bekijken van de etiketten, komt naar voor dat fabrikanten de wetgeving op hun manier interpreteren. Ze treden ze misschien niet altijd met de voeten maar handelen zelden naar de geest van de wet en nog minder lijken ze het recht van de consument op informatie op een objectieve manier in te vullen. 
 
 

KWALITEITS- EN ANDERE LABELS

Informatieve etikettering en een kwaliteitslabel zijn twee van elkaar te onderscheiden dingen.
In België werden voor sommige producten kwaliteitsklassen uitgewerkt.  Enkele voorbeelden.

Eieren van klasse A zijn "verse eieren", die van klasse B zijn "van 2de kwaliteit of verduurzaamde eieren" en die van klasse C worden omschreven als "uitgesorteerde eieren bestemd voor de levensmiddelenindustrie".
Het is toegelaten om eieren te verkopen onder de benaming A extra, dit is zeer vers: de eerste 7 dagen na het verpakken. Koninklijk Besluit van 31 juli 1969 (B.S. van 22 augustus 1969).
 
 

Naast de kwaliteitsindelingen voor eieren, zijn er gewichtsklassen gaande van 1 tot 7 volgens onderstaande waardeschaal:

1   meer dan 70 g
 2   65 tot minder dan 70 g
 3   60 tot minder dan 65 g
 4   55 tot minder dan 60 g
 5   50 tot minder dan 55 g
 6   45 tot minder dan 50 g
 7   minder dan 45 g

Voor heel wat groenten- en fruitsoorten wordt een minimumkwaliteit geëist wat betreft versheid, gezondheid, zuiverheid (resten van aarde, residu's van bestrijdingsmiddelen), rijpheid en de afwezigheid van abnormale uitwendige vochtigheid, vreemde geur of smaak.
Op basis hiervan onstond een indeling in voortreffelijke kwaliteit (= klasse 'extra'), "goede kwaliteit" (= klasse I) en handelskwaliteit (klasse II).  Later werd nog een klasse III afgebakend.  (K.B. van 26 november 1982 (B.S. 16 februari 1983) en de EEG-landbouwverordeningen nr 23 en 1033/72).

Om tot een klasse te behoren moeten een aantal voorwaarden voldaan zijn.

Daarnaast bestaan er ook van overheidswege opgelegde kwaliteitsmerken onder meer voor melk, voor ingedikte melk, melkpoeder, harde kaas en boter, alsook voor pluimvee.
Bijvoorbeeld rauwe melk, gepasteuriseerde, gebactofugeerde en UHT-melk kunnen het controlemerk AA dragen.  AA-melk moet aan strengere voorwaarden voldoen dan gewone melk. Het controlemerk geeft de verbruiker de waarborg dat de hygiënische kwaliteit van deze melk bijzonder verzorgd en gecontroleerd werd. (Het vee moet vrij zijn van de ziekten tuberculose, brucellose en mastitis. Om de twee maanden dient de veearts een controle uit te voeren en bovendien moet de melk onmiddellijk na het melken in de koelkast bewaard worden. Deze mag de temperatuur van 7°C tot bij de levering aan de verbruiker niet overschrijden).
 

In België bestaat het quality control-label. Dit wordt afgeleverd door het bedrijf  "Instituut voor Kwaliteitscontrole en Informatieve Etikettering - Quality Control - Kwaliteit België SV".
Elke producent kan aan dit instituut producten ter goedkeuring voorleggen. Voor elke klasse van producten bepaalt het instituut de kenmerken en de minimumprestaties waaraan de producten moeten voldoen om dergelijke goedkeuring te verkrijgen. Het instituut voert een aantal technische analyses uit en doet een aantal praktische tests. De goedkeuring van een product geeft de producent het recht het quality control-label, eventueel vergezeld van een voorlichtingslabel voor zijn waren te gebruiken. Ook na het verlenen van de goedkeuring blijft het product aan de controle van het instituut onderworpen  Het quality contol-label is als collectief merk gedeponeerd zodat tegen namaak en misbruik door derden kan worden opgetreden. De verbruikers woren door middel van een kwaliteitsnota op de hoogte gebracht van de kenmerken van het goedgekeurde product. Het instituut heeft enkel tot doel door middel van zijn merk de objectieve voorlichting van de verbruiker te verzekeren en onthoudt zich van gelijk welke reclame voor de goedgekeurde producten.
In 1987 gebruikten 64 producenten het kwaliteitslabel voor 192 producten (niet enkel voeding), inclusief de variëteiten. 

Het Instituut werd ook aangesteld als officieel erkenningsorganisme voor de wettelijk beschermde benamingen van oorsprong: "Ardense Ham" en "Ardense boter".

Een kwaliteitsmerk, voor zover het op betrouwbare wijze werd toegekend, biedt door zijn eenvoud het voordeel aan de consument onmiddelijke informatie over de kwaliteit van het product te verschaffen.  Maar dan ook enkel over de kwaliteit. De kwaliteit/prijs verhouding blijft buiten beschouwing.
Er zijn ook andere nadelen aan verbonden. Het kan dat bepaalde - even goede en zelfs betere - producten niet ter goedkeuring zijn aangeboden ; in een bepaalde productcategorie kunnen verschillende producten het kwaliteitslabel dragen. Kwaliteitsmerken vormen dus geen vergelijkingsinstrument bij de aankopen.
Toch kunnen zij een argument zijn bij de aankoop. Kwaliteitsmerken garanderen in de ogen van derden meestal wel een goede keuze maar nodigen niet uit tot kritisch vergelijken bij de aankoop. Op het verkoopspunt wordt niet duidelijk op basis van welke eisen de kwaliteitsgarantie toegekend.

Een ander voorbeeld van een kwaliteitsmerk is deze van de vereniging Biogarantie opgericht door alle partners van de biologische landbouw. In 1988 werd een label ingevoerd om de consument een houvast te geven. Twee wettelijk erkende organismen voeren controles uit in de hele voedselketen. 

Het gebruik van de term 'biologisch' is trouwens sinds kort op basis van een EG-verordening uitvoerig gereglementeerd bij wet. Producten die voldoen aan de Europese normen mogen de vermelding "Biologische landbouw - EEG-controle-systeem" dragen.

De vzw plattelandsontwikkeling heeft een circuit van hormonenvrij vlees uitgeboud. Ook dit wil de verbruiker op een bepaald punt een zekere waarborg geven. Sinds 1986 oefent de vzw zelf, samen met experten controle uit op de naleving van het engagement om hormonenvrij vlees te leveren.

Ook de Dienst voor Afzet van Land- en Tuinbouwproducten lanceerde verscheidene kwaliteitslabels.Voor ham reikt zij een label "Meesterlijck" uit als deze voldoet aan strengere normen dan de wettelijke. Voor streng gecontroleerd mals Belgisch rundsvlees van een bepaalde kwaliteit voorzag zij tot voor kort het "Medaille d'Or"; sinds kort is dit keurmerk vervangen door de vermelding "Europees Kwaliteitsrundsvlees". 

Verder wordt het veelal aan de verbruiker overgelaten om te vertrouwen op zijn eigen smaak, en keuze.  Verbruikersorganisaties geven voorlichting over hoe we juist moeten eten. Maar om analyses betreffende de kwaliteit van de aangeboden producten door te voeren ontbreekt het de meeste aan middelen.
 

 

4. VERGEELD MAAR NIET VERGETEN
HISTORISCHE ETIKETTEN

Het aanprijzen van producten heeft altijd een plaats gevonden op etiketten.

De kunstzinnige vormgeving van de etiketten is vooral de technische evolutie gevolgd. Eerst kwam de foto daarna de kleurendruk om de aandacht te trekken. En de opmaak,stijl en teksten veranderen zoals de spreektaal en de samenleving veranderden.

In het begin van de eeuw, net zoals in de reclameadvertenties overigens, werden voornamelijk feiten over het product vermeld.
(Pseudo-)wetenschappelijke informatie komt aan bod wanneer nieuwe ontwikkelingen op voedingsgebied in de belangstelling staan. Dit is van alle tijden. Zijn het momenteel de hart- en vaatziekten waarvoor we moeten uitkijken dan is "cholesterol" nergens te bekennen.  En wordt bijvoorbeeld "cholesterolarm" groot op de etiketten uitgesmeerd.

De merknaam die (naast de verpakking zelf) het herkenningspunt vormt voor de potentiële consument, wordt reuzegroot op de verpakking geschreven en is overigens ook veelvuldig terug te vinden op geëmailleerde uithangborden.  In het begin van de voorverpakking was deze merknaam vaak de naam van de producent zelf en moest hij overduidelijk als een soort waarborg dienen om de verbruiker een vertrouwen te bieden in het product en om de namaak te bemoeilijken.

De goede kwaliteit kreeg ook toen al stempels mee. "Waarborg van hoedanigheid" afgeleverd door een zogeheten "Wereldinstituut voor de bescherming der hoge hoedanigheid van de voeding".

Later ziet men dat sociale aspecten sterker worden benadrukt.  Het product wordt gesitueerd aansluitend op de belevingswereld van de consument. "Suiker ... die koemelk gelijkaardig moet maken aan moedermelk".
De smakelijkheid wordt meer en meer in de verf gezet. "Lekker" is een term die veelvuldig terug te vinden is.  Eerst het laatste decennium is men meer de gezondheid gaan beklemtonen.

Superlatieven zijn altijd een constante geweest.  De voortdurende vernieuwing wordt ondersteund door "Nieuw !".
 

Steeds meer komt de nadruk te liggen op het ceëren van een bepaalde sfeer rond een product.

Het promotionele aspect op etiketten krijgt ook meer kans juist door de technische vernieuwingen op druk- en verpakkingsvlak.
Prachtige foto's voeren de boventoon, net als in onze beeldmaatschappij, of concurreren met bloemrijke slogans en kleurrijke lay-out.
 

 

5. SCHONE SCHIJN
VOEDINGSCLAIMS

Bij de meeste voedingsaankopen gaat de verbruiker routinematig te werk.   Hij weet meestal welk type product hij zoekt alsook het merk en zelden gaat hij op dat moment nog naar extra informatie op zoek.
Nochtans leeft de belangstelling voor voeding erg en is de verbruiker erg gevoelig voor de relatie tussen de gekochte voedingsmiddelen en zijn gezondheid.  Met zijn kennis inzake voeding is het echter pover gesteld.   Dit maakt hem erg kwetsbaar.

Veel fabrikanten zijn er zich van bewust dat ze hun producten aanprijzen bij een publiek dat steeds meer in gezondheid en voeding geïnteresseerd is. Dit uit zich enerzijds in het feit dat meer en meer etiketten informatie vermelden over de voedingswaarde (energie, voedingsstoffen en andere voedingsaspecten) en anderzijds meer en meer getooid worden met zogenaamde "claims".  Dit zijn beweringen die het bijzondere voedingskarakter van een bepaald product moeten beklemtonen.

Als we de etiketten en de reclame mogen geloven zouden we door meer te eten gezonder, fitter, magerder,... worden!
"Door haverzemelen paardesterk", "glutenvrij", "verlaagd vetgehalte", "verrijkt met vitamines", "vezelrijk", natuurlijk", "op traditionele wijze", "met bio-plus,...  .
Het light-claim kan gesitueerd worden in dezelfde verkoopsstrategie.
In al deze beweringen valt, naast de gezondheidsverwijzingen, het vaak negatieve karakter sterk op.  Heel wat negatieve beweringen beklemtonen de afwezigheid van bepaalde stoffen in een voedingsmiddelen.  Ze worden overvloedig gebruikt om de afwezigheid van additieven te onderstrepen. Bijvoorbeeld "bevat geen kleurstoffen", "zonder bewaarmiddelen", "zonder toegevoegde suiker",... .

Een verkoper tracht zijn product zo verleidelijk mogelijk uit te stallen.  Hij wordt hierbij slechts een weinig ingetoomd door de wetgever.  Op Europees vlak werkte men oorspronkelijk aan de inpassing van een reglementering in de etiketteringsrichtlijn.  Uiteindelijk resulteerden de discussies in een afzonderlijke wetgeving inzake voedingswaarde-etikettering.


 
 

DE VOEDINGSWAARDE-ETIKETTERING

Op heel wat voedingsmiddelen vindt u de voedingswaarde van het product.

Op een doos "tarwebiscuits" leest u bijvoorbeeld het volgende tabelletje:
 
 

 Analyse voor 100 g
 water ....................................... 2 à 4 g  proteïnen (eiwitten) .................... 8,5 à 10,5 g  lipiden (vetten) ........................... 12,5 à 14,5 g  gluciden (koolhydraten) ............... 60 à 68 g
 100 g = 1.737 KJ
Verder leest u dat het product rijk is aan vitamine.

Meer uitgebreide tabellen geven ook gehaltes aan vitaminen en mineralen.


 

Het idee van de etikettering van de nutritionele waarde van een product waaide over uit de Verenigde Staten waar het gebruik gegroeid is vanuit de slechte eetgewoonten van de Amerikanen die te veel vet, suikers en zout en weinig groenten en fruit aten.
Alhoewel wij in Europa of in België nauwelijks gezonder eten verliep de invoering van het idee niet vanzelfsprekend.
De Europese richtlijn inzake voedingswaarde-etikettering van 1990 voert geen algemene verplichting in.
De voedingswaarde-aanduiding wordt enkel verplicht indien in de reclame, de etikettering of presentatie een 'claim' inzake voedingswaarde wordt gelegd.  Bijvoorbeeld "met vitaminen", "rijk aan vezels", "verlaagd vetgehalte".
Deze richtlijn werd in 1992 omgezet naar Belgische wetgeving. 

Wanneer dus in de etikettering, in de aanbiedingsvorm of in de reclame  een bewering voorkomt over de voedingswaarde dan moeten een aantal gegevens verstrekt worden op het etiket.
Zo moeten de energetische waarde plus het gehalte aan eiwitten, koolhydraten en vetten opgegeven worden.
Slaat de bewering overigens op suikers, verzadigde vetzuren of verzadigde vetten, op voedingsvezels of natrium dan moet ook het gehalte van al deze voedingstoffen vermeld worden.
Daarbovenop is het toegestaan om de gehalten van zetmeel, polyolen, enkelvoudig en meervoudig onverzadigde vetzuren, cholesterol, welbepaalde vitaminen en mineralen op te sommen.

De aanduidingen moeten gebeuren per 100 gram of per 100 ml. Daarnaast mogen (maar moeten niet) de gehaltes per product of per portie worden vermeld.
Indien op het voedingswaarde-etiket informatie in verband met vitamines en minerale zouten is opgenomen dan dient dit bovendien uitgedrukt in percentage van de noodzakelijke dagelijkse dosis voor een gemiddelde volwassen consument.  Eventueel kan dit grafisch gebeuren.

Het principe van de voedingswaarde-etikettering klinkt mooi, maar de moeilijkheden voor zowel het vermelden als het interpreteren van de voedingswaarde zijn velerlei.

Allereerst is er de mogelijkheid om deze waarde vast te stellen omdat deze kan schommelen, bijvoorbeeld, bij groenten en fruit, naargelang van het seizoen, de behandeling, de bewaring, ... .
Voor vele fabrikanten van voedingsmiddelen is deze vermelding ook praktisch niet haalbaar, daar deze gegevens bekomen worden door analyses in een laboratorium, die de kostprijs van het product aanzienlijk zouden verhogen.
Het voorkomen van de voedingswaarde op de verpakking kan interessant zijn daar men dan de exacte energieaanbreng van een bepaalde hoeveelheid van het voedingsmiddel kent en die in zijn dagmenu als dusdanig in rekening zou kunnen brengen.
        Maar ... dit vereist allereerst dat consumenten een minimum aan voedingsvoorlichting hebben genoten.
        En de nutritionele informatie gaat over dagelijks aanbevolen doseringen proteïnen, allerlei vitamines enz..  Deze worden uitgedrukt in grammen, joules en percentages.  Dit bevordert de duidelijkheid niet.
        Het gevaar van een information-overload is dat geen mens de gegevens nog leest en de informatie-overdracht bijgevolg zinloos wordt.

Een degelijke kennis van de voedingswaarde is echter wel een vereiste om verantwoord te kunnen eten.
Weet trouwens dat het verkeerd is om te spreken van gezonde of ongezonde voedingsmiddelen. Er bestaan vooral gezonde en ongezonde voedingsgewoontes.
 
 

GEZONDE VOEDINGSGEWOONTEN

Ter herinnering willen we even enkele basisprincipes van voedingsleer aanhalen.
Voedsel en drank behoren tot onze basisbehoeften. We eten echter niet louter om in leven te blijven.  Voeding is nodig voor de groei, de kracht en de gezondheid van het lichaam. Voedsel levert ons bouw-, brand-, en beschermingsstoffen.

De kwantitatieve behoefte van ons lichaam wordt uitgedrukt in joules (vroeger in calorieën: 1 cal = 4,18 J).  Het dagelijks rantsoen van een mens mag men gemiddeld schatten op 9600 KJ. De feitelijke behoefte varieert volgens gewicht, grootte, leeftijd en geslacht.  Daarenboven is, afhankelijk van de (beroeps)activiteiten, nog extra energie nodig.  Bijvoorbeeld een handarbeider aan de kade verbruikt meer energie dan een bediende aan een bureau.

Maar ook wat betreft de kwaliteit van ons voedsel moeten eisen gesteld worden. Het allereerste probleem is de noodzaak aan proteïnen. Per dag heeft een mens 1 g proteïnen nodig per kilogram lichaamsgewicht.
Er zijn eveneens onmisbare essentiële vetzuren. Ook vitaminen en mineralen moeten in voldoende mate opgenomen worden.
Hoe kunnen we voldoen aan deze biologische basisbehoeften via voedsel (en drank)?
 
 

Voedsel bestaat uit een ingewikkeld geheel van vele verschillende (chemische) bestanddelen die onderverdeeld worden in verschillende hoofdgroepen.
Water: is het overwegend bestanddeel van de cellen en weefsels, neemt deel aan het vervoer van de voedingsstoffen en dient voor de eliminatie van afvalstoffen.

Sacchariden = gluciden: leveren energie en worden bij een teveel omgezet in vetreserves.

Proteïnen = eitwitten: maken groei en herstel van weefsel mogelijk.

Lipiden = vetstoffen: leveren energie, essentiële vetzuren en vetoplosbare vitaminen (en dienen als reserve).

Vitaminen en mineralen: horen thuis in verschillende metabolische processen en maken groei en herstel van weefsel mogelijk.

Voedingsvezels: stimuleren de darmwerking en zijn belangrijk voor een goede stofwisseling.

Om ons te voeden moeten wij voldoende van deze voedingsstoffen, en dit in de juiste verhouding, tot ons nemen.  (Om ons behulpzaam te zijn bij de samenstelling van onze maaltijden werden de voedingsmiddelen ingedeeld in groepen: het klavertje 4/voedingsschijf).

De principes van de voedingsleer zouden voor elke consument duidelijk moeten zijn:
 
 

Elke dag heeft de mens, bij middelmatige activiteit, ongeveer 9600 KJ (= 2.300 Kcal) nodig (een man iets meer dan een vrouw), bestaande uit volgende groepen:

proteïnen 10 % à 15 %
vetten  maximum 30 %
koolhydraten 50 % à 60 %, waarvan maximum 10 % zuiver suiker
vitaminen en minerale zouten.

 

De bovenstaande tekst is slechts één hoofdstuk uit een veel uitgebreidere brochure. De andere hoofdstukken zijn toegankelijk via de volledige inhoudstafel. Bovendien beschikken wij nog over een hele reeks andere interessante publicaties. Via onze site bieden wij trouwens nog een boel andere informatie en diensten aan.



 
vorig hoofdstuk TOP
PAGINA
INHOUD
BROCHURE
ANDERE
PUBLICATIES
HOME
ECOLIJN
volgend hoofdstuk

 
 
Auteurs
Lut VERSCHINGEL en Ingrid VANHAEVRE
 

 

Eindredactie
Ingrid VANHAEVRE
m.m.v. Lut VERSCHINGEL, Paul VAN CAPPELLEN en Luk JOOSSENS
 

 

Verantwoordelijke Uitgever
Jean-Marie BEGUIN
 

 

Bestelling van de brochure bij de uitgever
OIVO
Riddersstraat 18, 1050 Brussel
tel. 02/547.06.11, fax. 02/547.06.01,
 

 

Uitgave
© OIVO, 1994
D-1994-2492-19
Reproductie voor niet-commerciële doeleinden vrij mits duidelijke bronvermelding.