OPLETTEN MET ETIKETTEN

 

DEEL 3

BABYLONISCHE SPRAAKVERWARRING


 
 
 
1. SORRY, QU'EST-CE-QUE JIJ SAY ?
TAALGEBRUIK

De wettelijk verplichte gegevens op een etiket moeten in België vermeld staan in de taal/talen van de regio waar het product verkocht wordt.  In Vlaanderen en Brussel betekent dit o.m. het Nederlands.
Deze Belgische reglementering is terug te vinden in de Wet op de handelspraktijken en is voor levensmiddelen verder gespecifieerd in het Koninklijk Besluit van 13 november 1986.
 
 

EUROPA BEDREIGT HET NEDERLANDS ALS CONSUMENTENTAAL

Europa erkent het recht tot voldoende informatie over de karakteristieken van een product reeds lang.
Eén van de eerste realisaties was de richtlijn van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame
Deze richtlijn bepaalt welke vermeldingen van wezenlijk belang op het etiket van levensmiddelen moeten voorkomen.
De bedoeling was alleszins communautaire voorschriften van algemene aard op te stellen die van toepassing zijn op alle levensmiddelen. Met deze voorschriften zouden immers alle consumenten van de Europese gemeenschap eenvormig voorgelicht en beschermd worden en zouden de nationale verschillen inzake etikettering het vrije verkeer van deze producten niet langer meer belemmeren of kunnen leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden.

De Europese richtlijn preciseert dat de verplichte vermeldingen begrijpelijk moeten worden geformuleerd op een zichtbare plaats en dat deze in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters moeten worden aangebracht.
Het artikel 14 van de EG-richtlijn verbiedt het op de markt brengen van producten wanneer de voorziene vermeldingen niet voorkomen in een voor de koper begrijpbare taal tenzij de koper door andere maatregelen wordt voorgelicht. Kortom, de richtlijn schrijft geen welbepaalde taal voor. 
Integendeel, er kunnen levensmiddelen op de markt gebracht worden waarvan de vermeldingen niet begrijpbaar zijn maar waar de koper op een andere manier wordt voorgelicht.

Het artikel 14 van de richtlijn uit 79 draagt de lidstaten op te waken over de naleving en meer bepaald er zorg voor te dragen dat de verplichte vermeldingen voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht. Deze bepaling verhindert niet dat de vermeldingen in méér dan één taal kunnen voorkomen.
De interpretatie van de richtlijn stelde problemen.  Begrijpbaarheid werd door verschillende rechtsmachten anders begrepen.
Het Haagse Hof van Beroep oordeelde op 4 januari 1985 dat "Pfirsiche halbe Frucht gezuckert" en "Yellow  Cling Peach Halves in syrup" al voldoende duidelijk zijn en dat bijgevolg de Nederlandse vermelding "vruchten op zware siroop" op een blik  perziken niet noodzakelijk was.
In Leeuwarden werd een handelaar vrijgesproken omdat de vermelding "Apfelmus" op conserven voldoende begrijpbaar was.
De begrijpbaarheid van de consument wordt hoog ingeschat door een Mechelse rechter, die de verkoop van "1 Liter Koffeïnhaltige Limonade" toeliet. Het Openbaar Ministerie tekende echter beroep aan.
 
 

BELGIË HOUDT AAN EIGEN TAAL

In België reglementeert het Koninklijk Besluit van 13 november 1986 de etikettering van voorverpakte voedingsmiddelen.
Het artikel 11 van dit Koninklijk Besluit bepaalt dat de vermeldingen tenminste moeten gesteld worden in de taal of de talen van het taalgebied waar de voedingsmiddelen te koop worden gesteld.

Dit artikel in combinatie met artikel 14 van de Europese richtlijn vormde de discussie voor het Europese Hof van Justitie die op 18 juni 1991 een opmerkelijke uitspraak deed.
Volgens deze uitspraak betekent de verplichting om een gemakkelijk begrijpbare taal te beperken tot de taal van het landsgedeelte en het miskennen van de mogelijkheid om op een andere wijze inlichtingen te verstrekken dan de taal, een beperking aan het vrije verkeer van goederen, zoals bepaald bij artikel 3O van het EG-verdrag.
Een nationale wetgeving die het taalgebruik uitsluitend beperkt tot de taal van het taalgebied waar de levensmiddelen op de markt worden gebracht is strijdig met artikel 3O van het EG-verdrag en het artikel 14 van de EG-richtlijn over de etikettering van levensmiddelen.
Dit is nu juist het geval in België.

Door deze uitspraak van het Europese Hof van Justitie werd de ons inziens evidente eis, namelijk dat etiketten van ingevoerde producten in de streektaal moeten zijn gesteld, beschouwd als een belemmering van het vrije verkeer en dus duidelijk in vraag gesteld. Het Hof meende dat "een voor de koper gemakkelijke taal " volstond. Door dergelijk subjectief begrip ontstond heel wat onzekerheid.
Het was immers de nationale rechter die nu per individueel geval moest beoordelen. 
Sinds de uitspraak van het Hof zijn er meerdere voorbeelden, die de spraakverwarring illustreren.
 
 

Op 14 juli 1991 werd de nieuwe Wet op de handelspraktijken in België gestemd.
Het artikel 13, 1e lid van deze wet vermeldt: "De vermeldingen die het voorwerp zijn van de etikettering en die dwingend voorgeschreven zijn bij deze wet, bij haar uitvoeringsbesluiten en bij de uitvoeringsbesluiten bedoeld in artikel 122, tweede lid, de gebruiksaanwijzingen en de garantiebewijzen zijn minstens gesteld in de taal of de talen van het gebied waar de producten op de markt worden gebracht"
Ondanks de uitspraak van het Hof, behield de nieuwe wet de taalverplichting.  Deze verplichting geldt alleen voor de verplichte etikettering, voorgeschreven door de wet of door uitvoeringsbesluiten.  In concreto gaat het over vermeldingen aangaande de prijs, de hoeveelheid, de benaming, de samenstelling, enz. .
Geen geknoei meer met handleidingen in het Zweeds, het Engels of het Japans voor producten of diensten, die in Brussel en in Vlaanderen verkocht of verleend worden. De wet eist in Vlaanderen en Brussel een Nederlandse uitleg.
Deze wettelijke regeling kwam door de Europese uitspraak van 1991 duidelijk op de helling te staan. Door de gevoerde redenering van het Europese Hof zou de nieuwe Belgische Wet in strijd zijn met het principe van de Europese Vrije Markt.

Onze Noorderburen hebben onlangs hun Warenwetbesluit gewijzigd op basis van de Europese Etiketteringsrichtlijn. De Warenwet staat niet langer borg voor het gebruik van de Nederlandse taal op etiketten van levensmiddelen.  Het toestaan van andere talen op het etiket kan verwarring scheppen bij de consument. De rechter zal geval per geval moeten oordelen of de buitenlandse taal "begrijpelijk" is voor de consument.

Wil men het Nederlands op etiketten van eetwaren bewaren dan zou de Europese richtlijn van 1978 moeten gewijzigd worden. De bepaling "in een gemakkelijk te begrijpen taal" moet vervangen worden door de bepaling "in de officiële taal of talen van de lidstaat". Een communautair probleem inzake consumentenbescherming!! 
 

Op 10 november 1993 werd een mededeling van de Commissie (COM 93, 456 def) aan de Raad en het Europees Parlement overgemaakt over het taalgebruik ter voorlichting van de consumenten in de Gemeenschap.
Deze mededeling werd gevolgd met een interpretatieve mededeling van de Commissie betreffende het gebruik van talen bij de verkoop van levensmiddelen naar aanleiding van het arrest "Peeters" (93/C 345/03, PB nr. 345/3 dd. 23.12.1993).
Volgens de mededeling kunnen de EG-lidstaten eisen dat hun officiële taal of talen gebruikt worden voor verplichte vermeldingen op de etiketten van voedingswaren, die aan de eindverbruiker verkocht worden.
Voorwaarde is echter dat de eis van officiële taal of talen niet uitsluit dat de informatie in andere talen verbiedt.
Zo mogen bijgevolg het gebruik van andere talen, van gemakkelijk te begrijpen woorden of uitdrukkingen of van andere methodes om de koper in te lichten niet worden verboden.

De Commissie legt de klemtoon op de bevordering van "meertaligheid van etiketten".
Meertalige voorlichting zou de optimale aanpak kunnen betekenen voor een harmonieuze werking van de interne markt.  Taal is niet de enige manier om consumenten te informeren.  Andere mogelijkheden zoals - tekeningen, tekens of pictogrammen - zijn aanvullende middelen.
De Commissie wil een debat over het onderwerp op gang brengen.  Op basis van de mogelijke reacties zal de Commissie oordelen over een eventuele omzetting van de mededeling in een nieuwe ontwerprichtlijn.
 

 

2. ZET JE BESTE STREEPJE VOOR
STREEPJESCODE

De streepjescode of "scanning bar" wordt aangetroffen op heel wat producten.
Een volledige code bestaat uit streepjes en cijfers.  Beide betekenen hetzelfde.  De streepjes zijn de vertaling van de cijfers die eronder staan. Deze vertaling in dikke en dunne strepen kan gelezen worden door een scanner.  (Dit is een elektronische machine die het symbool omzet in een nummer voor de computer). 

De code werd niet ingevoerd voor de consument maar is bedoeld voor de producent en verdeler.  Onder meer om zijn voorraadbeheer vlotter te doen verlopen.
 

De streepjescode is niet verplicht maar wordt meer en meer toegepast. In 1981 waren in België ongeveer 2000 levensmiddelen voorzien van de EAN-code (dit is 20 % van het totale assortiment)  Toen waren slechts 9 winkels uitgerust met scanners.  Sindsdien liep dit op tot 41 winkels in 1983, 55 winkels (overwegend Nopri en Unic) in 1984 en 506 winkels einde mei 1988.  België stond in de wereldranglijst mee aan de kop wat betreft het aantal producten met streepjescode.  In een doorsnee supermarkt waren ruim 72 % van alle producten met een code bedrukt.
 

Sindsdien is de codering in een stroomversnelling terecht gekomen.  Niet enkel de voedingssector waar de codering voor kwasi 100 % is doorgevoerd maar ook in meer en meer andere sectoren wordt de code aangebracht.  Daar situeert het niveau zich iets lager op 60 à 70 %.
 

De bij ons meest gebruikte code is de EAN-code.  Dit staat voor European Article Number .
De code bestaat uit 13 cijfers die in 4 groepen te verdelen zijn (er bestaat ook een verkorte vorm van 8 cijfers).
 
 

Nemen we bovenstaand voorbeeld, een Europese code, dan krijgen we :

               5 4     1 0 4 7 1  1 3 2 0 0          4

                1          2           3                      4 

Groep 1 : 
 de eerste 2 cijfers (flag genoemd) duiden het land aan van de producent of de verdeler.
 In ons voorbeeld 54 = België (en G.H.-Luxemburg).

Andere voorbeelden zijn : Nederland = 87
  Frankrijk = van 30 tot 37
  Duitsland = van 40 tot 43
  Japan = 49
  Verenigd Koninkrijk 
   + Ierland = 50

Groep 2 : 
 de volgende 5 cijfers is de code van de fabrikant of het bedrijf.
 Deze wordt in België door het ICODIF (Instituut voor de Codering van Distributeurs en Fabrikanten) toegekend.
 Bijvoorbeeld : 10471 : Biscuiterie Jules Destrooper.

Groep 3 :
 de daarop volgende 5 cijfers komen overeen met het artikelnummer: kenmerken en verpakkingseenheid).  De fabrikant geeft dit zelf aan elk van zijn producten.
 Bijvoorbeeld : 13200 = Parijse boterwafels, 125 g.

Groep 4 :
 het laatste cijfer is een controlecijfer (we kunnen dit vergelijken met het laatste cijfer van een bankrekening) bedoeld om vergissingen uit te sluiten.

Elk product is aldus identificeerbaar op grond van één enkele code.  Geen codenummer kan twee producten aanduiden en geen enkel product kan twee codenummers dragen.

Er bestaat ook een verkorte vorm: de EAN-8 code.
Aan de fabrikant wordt slechts een kengetal van 4 cijfers toegekend.  Daardoor blijft er nog 1 cijfer over voor de codering van het product zelf.  Deze verkorte versie wordt ondermeer gebruikt voor producten van erg kleine omvang.
Maar eveneens in volgende gevallen wordt deze verkorte code toegepast.

a)      Scanning zou pas rendabel worden wanneer 80 % van de producten die de kassa voorbijkomen gecodeerd zijn.
Distributieondernemingen kunnen daarom voor intern gebruik producten coderen volgens de EAN-8 code, dit in afwachting dat fabrikanten vooraf, alle producten merken.
Deze interne code begint met het cijfer 2.  Het tweede nummer van de flag mag vrij gekozen worden.  Daardoor kan dit cijfer + de vijf daaropvolgende, in totaal dus zes cijfers, gebruikt worden voor de identificatie van het product.  De laatste positie is het controlecijfer.  De codestructuur ziet eruit als volgt:
 
 
 

flag code van het product c
2  X    X  X  X   X    X X 

Bij interne codering hoeft de verdeler dus geen nummer van aansluiting te vragen bij het ICODIF.
 

b)      Vroeger werd door distributieondernemingen reeds een code PLU (price look up) gebruikt voor eigen producten.  Dit was gebaseerd op hetzelfde principe van een cijfercode - door de verdeler bepaald - die op de kassa werd ingetikt een waarbij de computer zelf de prijs, die in zijn geheugen was opgeslagen, opzocht.
Er werd een code uitgedracht waarbij de oude PLU-code wordt omgezet in een EAN-8 code.  Deze is herkenbaar aan het eerste flagnummer O.  Het PLU-nummer staat rechts (voor een laatste controlecijfer).  De voorgaande cijfers zijn O.  Het oude PLU-nummer 122 wordt zo:
 
 

00   00122    C

Voor- en nadelen van het gebruik van deze code :

a)      Voor de consument

Allereerst willen we uitdrukkelijk stellen dat het gebruik van deze code ingevoerd werd voor de producent en verdeler en niet voor de consument.
De verbruiker moet er dan ook niet veel verwachtingen tegenover stellen.  Toch kan het systeem ook voor de consument voordeel betekenen.

Pro: 
de verbruiker kan dankzij het systeem een zeer expliciete kassabon krijgen met niet alleen de prijs, maar ook een duidelijke productomschrijving en een eenheidsprijs;
foutief uittikken aan de kassa wordt uitgesloten;
het "lezen" aan de kassa gebeurt heel snel zodat lange wachttijden zullen verkleinen.

Te vermijden is echter dat het systeem nadelig zou uitdraaien voor de verbruiker.  Tegen de codering kunnen meerdere argumenten worden aangevoerd.

Contra : 
de code op de verpakking laat toe dat de winkels de prijs van het product niet vermelden op het product zelf.  Praktisch betekent dit, dat men tijdens het winkelen alleen de prijs op de rekken kan aflezen en niet op het product zelf.  Controle van het kasticket (in de winkel of thuis) wordt zo onmogelijk gemaakt;
prijsveranderingen moeten gelijktijdig, én op de rekken, én in het geheugen van de computer aangepast worden. De controle door de consument aan de kassa hiervan is niet  altijd gemakkelijk vooral wanneer de prijs op het product ontbreekt.  Het zou moeten mogelijk zijn om na te gaan of prijsverlagingen ook in de computer werden aangeduid. Een prijsaanduiding op het product zelf blijft dus een consumenteneis.

Het is de consument aangeraden waakzaam te blijven tegenover dit coderingssysteem.  Scanning mag bijvoorbeeld niet de prijs vervangen.
Niet enkel vertrekkend van het standpunt als verbruiker maar ook als dat van de werknemer is waakzaamheid geboden. 
 

b)  Voor de handelaar biedt de code heel wat voordelen

De code wordt gelezen door een elektronisch oog.  Het is evident dat hierdoor niet zozeer de kleinhandelaar dan wel de warenhuisketens vaak sterk kunnen rationaliseren.

Op elk ogenblik is het mogelijk de juiste voorraad van elk willekeurig product te kennen. 
In een minimum van tijd kan men de omzetsnelheid van datzelfde product kennen.
Het resultaat van promotionele acties zal op elk ogenblik bekend zijn.  (De consument zou dus nog efficiënter "beïnvloed" kunnen worden).
De magazijnbeheerder zal automatisch en van op afstand weten welke producten in de rekken aangevuld moeten worden en eventueel bijbesteld.  Gezien gevulde rekken een beter verkoopresultaat geven kan hij dit laatste beter opvolgen.

De veralgemeende invoering van de code kan echter invloed uitoefenen op de tewerkstelling!
 

c)  Voor de producent

Voor de fabrikant wordt het pas echt interessant als alle verdelers, groot en klein, in het circuit worden ingeschakeld.  Dan zal de producent op een vrij eenvoudige manier snel geïnformeerd worden over het goederenverkeer: wie verkoopt wat en waar ?  (Eventueel aangevuld met gegevens over hoeveelheden en dergelijke).
Aan de hand van die gegevens kan hij dan ook heel vlug inspelen op de behoeften en zijn productie aanpassen aan de markt.  Hij zal aldus snel kunnen besluiten bepaalde assortimenten uit te breiden of slecht renderende artikelen uit de productie te nemen.
 
 

DE PRIJSAANDUIDING

De consument is evenzeer een economisch denkend wezen dat zich afvraagt hoeveel hij moet betalen voor wat hij krijgt.  In de aankoopbeslissing speelt de prijs vaak een rol als één van de doorslaggevende argumenten.

In de Wet op de Handelspraktijken van 14 juli 1991 bepaalt de wetgever dat de prijs van producten schriftelijk en ondubbelzinnig moet gebeuren.
Ook voor diensten moet het tarief schriftelijk, leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aangeduid worden.

Deze aangeduide prijs moet de totale som zijn die de consument zal moeten neertellen.  Met andere woorden BTW en alle andere taksen alsook de kosten verbonden aan de aanschaf dienen inbegrepen te zijn.

De prijzen en tarieven moeten overigens minstens in Belgische frank worden aangeduid.
 
 

De verkoper is wettelijk verplicht de prijs bij zijn producten aan te duiden.

De prijsaanduiding - dit is alles inbegrepen - moet schriftelijk, ondubbelzinnig en goed zichtbaar zijn.

Wanneer u als verbruiker verantwoord aankopen wil doen, dan moet u ook de prijzen van producten kunnen vergelijken.  De wet heeft daarom de prijsaanduiding gereglementeerd. (K.B. van 10 juli 1972).

De prijs van los verkochte producten (groenten, fruit, vis, ...) moet worden aangeduid per kilogram, liter, meter of vierkante meter.
Voorbeelden : aardappelen 15 fr. per kg; mosselen 98 fr. per kg.
 
 

Eenheidsprijs

Voor sommige voorverpakte en uitgestalde goederen moet niet alleen de gevraagde prijs worden vermeld, maar ook de eenheidsprijs per kg of liter.
Deze reglementering geldt helaas maar voor een aantal levensmiddelen (als ze zijn verpakt). (M.B. van 12 februari 1975)

Opgelet: de eenheidsprijs moet niet worden vermeld wanneer de voorverpakte producten verkocht worden in netto-hoeveelheden van 100, 250 of 500 g of ml, 1 kg of 1 liter of in veelvouden van kg of liter.
Is dit omdat verondersteld wordt dat iedereen wel met 10, met 4 of met 2 kan vermenigvuldigen?  Zelfs dan is prijsvergelijking niet altijd even gemakkelijk.

Maar ook als producten te koop worden aangeboden in hoeveelheden die genormaliseerd zijn hoeft de eenheidsprijs niet vermeld te worden.
Dit betreft heel wat producten zoals boter, zout, meel, deegwaren, gebrande koffie, wijn, bier, water, enz..  Deze mogen enkel in bepaalde hoeveelheden verkocht worden.  Ook voor conserven en halfconserven in metalen blikken of in glas bestaan normen. 

Prijsvergelijking is daarom echter niet eenvoudig!

Vergelijk bijvoorbeeld even vlug de volgende prijzen.  Wat is het goedkoopste: gepelde tomaten van 16 fr. voor een blik van 425 g of van 28 fr. voor een blik van 720 g?   - een blik soep van 850 g voor 27 fr. of een blik van 1062 g voor 39 fr.?  - een  blikje vruchtencocktail van 228 g voor 21 fr. of een blik van 1700 g voor 93 fr.?

Worden op eenzelfde product verschillende prijzen aangeduid, dan is de door de verbruiker te betalen prijs de laagste prijs.  Laat u hieromtrent niet van de wijs brengen door een verkoper.
Dit geldt echter niet wanneer twee prijsetiketten over elkaar zijn geplakt.  In dat geval werd een prijsverhoging toegepast hetgeen wettelijk goed mogelijk is. 

Worden in eenzelfde winkel of grootwarenhuis dezelfde producten tegen verschillende prijzen verkocht, dan moet op het rek waar de duurste producten zijn uitgestald een zichtbare en leesbare affiche de aandacht van de verbruikers vestigen op het bestaan van het verschillende aanbod en de plaats aanwijzen waar dit aanbod wordt gedaan.
Uit de praktijk blijkt dat de zichtbaarheid en leesbaarheid van de "affiche" wel eens te wensen overlaat.  Koopt u dergelijk artikel "in promotie", controleer dan ook het prijsetiket.  Een verstrooide klant kan het duurder artikel daar verwisseld hebben.
 

Ondank alle belang dat de consument erbij heeft is hij op het vlak van de prijsaanduiding minimaal beschermd.
De eisen vanuit verbruikersstandpunt zijn dat de prijs verplicht moet aangeduid worden op het product zelf en dat dezelfde prijs plus de eenheidsprijs op het rek tegenover het product moet aangeduid worden.
 

Prijsvermindering

Elke verkoper mag op elk moment van het jaar zijn prijzen verlagen, zolang hij niet met verlies verkoopt.
Afgeprijsde producten hebben een magische aantrekkingskracht op kooplustige consumenten.
Een strikte reglementering rond prijs- en tariefvermindering is voorzien opdat de verbruiker de werkelijke prijsvermindering zou kunnen onderscheiden van de reclameboodschappen.

Zo moet de verminderde prijs aangeduid worden met de verwijzing naar de oude prijs, die effectief gedurende een periode moet toegepast geweest zijn. (zie kader)
Tegelijkertijd moet de datum worden vermeld vanaf wanneer de verminderde prijs wordt toegepast en dit gedurende gans de verkoopperiode dat deze geldt.
 
 

Een prijsvermindering kan slechts op één van de volgende vier manieren aangeduid worden:

a. ofwel wordt de nieuwe prijs vermeld naast de oude doorgehaalde prijs

 voorbeeld :  10.999 BF    9.999 BF vanaf 26 april;

b. ofwel door de vermeldingen "nieuwe prijs" en "oude prijs" naast de overeenstemmende bedragen

 voorbeeld :  10.999 BF oude prijs
                   9.999 BF nieuwe prijs vanaf 26 april;

c. ofwel door de vermelding van een kortingspercentage en de nieuwe prijs naast de oude doorgehaalde prijs

 voorbeeld :  1.695 BF          1.359 BF
                        - 20%     vanaf 26 april

d. ofwel door een medegedeeld éénvormig kortingspercentage, dat geldt voor alle producten of diensten waarop de mededeling slaat

 voorbeeld :  - 10 %
                    korting op alle hemden vanaf 26 april.

 In  dit  geval moet de aankondiging vermelden of de prijsvermindering al dan niet werd doorgerekend in de aangeduide prijs.

De duur van de prijsvermindering is geregeld.

Prijsverminderingen moeten, uitgezonderd voor snel bederfbare producten, minstens één dag duren.
Een aankondiging in de zin van "x-korting voor de eerste 100 klanten" mag niet.
Permanente kortingen zijn eveneens verboden. Een prijsvermindering mag, uitgezonderd bij uitverkopen maximum 1 maand aangekondigd blijven.
 

 

3. VERSTAANBAARHEID:
 EEN UNIVERSEEL PROBLEEM
PICTOGRAMMEN DE OPLOSSING?

Symbolen of pictogrammen worden in vele domeinen meer en meer gebruikt.

In het verkeer worden we dagelijks geconfronteerd met gebods- en verbodsborden met een internationaal afgesproken symbolische waarde.  Vanaf het lager onderwijs wordt bijgevolg aandacht besteed aan het leren interpreteren van deze pictogrammen en willen we ons met de wagen in het verkeer mengen dan moeten we ook bewijzen deze te kennen.

In de dagdagelijkse omgang ontmoeten we pictogrammen op vele plaatsen, onder meer om ons wegwijs te maken bijvoorbeeld naar (nood)uitgang of toiletten, enz..
Waarschuwingen voor onze veiligheid vinden we onder meer terug op gevaarlijke producten of op gevaarlijke plaatsen.
Op textielwaren vinden we verplicht een onderhoudsetiket waarop de richtlijnen met pictogrammen worden aangeduid.

Meer en meer komen we ook in Europese reglementeringen de visie tegen dat consumenten niet noodzakelijk verbaal, dus tekstueel, moeten geïnformeerd worden maar dat dit evenzeer op andere manieren mogelijk moet zijn.
De achterliggende idee is ook mensen te kunnen bereiken, die moeilijkheden hebben met het lezen, en dit door middel van pictogrammen.

Weliswaar is het eenvoudiger met behulp van beelden bepaalde boodschappen over te dragen maar de vraag rest of dergelijke afgesproken symbolen voldoende bekend zijn en juist worden geïnterpreteerd.
Zowel wat betreft de veiligheidssymbolen op verpakkingen als de pictogrammen die op geneesmiddelenbijsluiters voorkomen blijkt uit onderzoek dat de kennis en begrip van de symboliek heel wat problemen geven.

Op basis van de literatuur over pictogrammen, kunnen wij onder meer de volgende stellingen poneren:

vele verbruikers vinden het gebruik van pictogrammen op de verpakking of de gebruiksaanwijzing van producten en of diensten nuttig;
vele pictogrammen worden op een verschillende wijze, verkeerd of niet begrepen;
het gebruik van te veel pictogrammen leidt tot meer verwarring;
het gebruik van de meeste pictogrammen vereist meestal een begeleidende tekst. Slechts weinig symbolen worden zonder tekst door iedereen universeel begrepen.

Zeker waar de onbekendheid met de symbolen risico's inhouden met betrekking tot de eigen en andermans veiligheid als ze niet worden nageleefd kan het gebruik van pictogrammen ernstig in vraag gesteld worden.  Voorzichtigheid blijft bijgevolg geboden bij het op deze manier waarborgen van het recht op informatie.

De internationale organisatie voor standaardisering (I.S.O.) stelt bij het gebruik van symbolen het criterium voorop dat ze door 67 % moeten worden begrepen worden.  Er bestaan gedetailleerde procedures om pictogrammen te doen accepteren.  Het is evident dat het gebruik van pictogrammen moet geharmoniseerd worden op Europees en/of internationaal vlak.
 

LABELING TE KUST EN TE KEUR

Beeldmerken vinden we in alle soorten en maten op kwasi alle consumentengoederen.
Veiligheidssymbolen, milieukeurmerken, kwaliteitslabels, gezondheidsclaims, manipuleeraanduidingen,... prijken naast merken, reclameslogans, tekeningen, en verdringen vaak de wettelijke vermeldingen van de etikettering.
In bepaalde sectoren, met name de kledingindustrie, bleken merken voor bepaalde consumenten trouwens een belangrijk element in de aankoopbeslissing.
Gevolg is dat labels een steeds belangrijker attribuut vormen van producten en diensten, al is zelden een garantie voor de echtheid ingebouwd.
 

LABELTJE LABELTJE AAN DE WAND

Al deze beeldmerken strijden om de gunst van de consument.

Door het stempelfenomeen geven dergelijke labels al te gemakkelijk de indruk van officiële goedkeuring.

Dit werkt de verwarring in de hand.  Uit alle milieu-aanduidingen de echte zinvolle keurmerken halen vereist heel wat deskundigheid.  Om niet voort te gaan op veiligheidsargumenten zou je al gek moeten zijn, al is zelden de juiste garantie ingebouwd.  Om je niet laten verleiden door zogenaamde kwaliteitslabels moet je sterk in je schoenen staan.
Degelijke (wettelijke) afspraken en een betere controle zijn alleszins vanzelfsprekende consumentenverzuchtingen.


 

De bovenstaande tekst is slechts één hoofdstuk uit een veel uitgebreidere brochure. De andere hoofdstukken zijn toegankelijk via de volledige inhoudstafel. Bovendien beschikken wij nog over een hele reeks andere interessante publicaties. Via onze site bieden wij trouwens nog een boel andere informatie en diensten aan.


vorig hoofdstuk TOP
PAGINA
INHOUD
BROCHURE
ANDERE
PUBLICATIES
HOME
ECOLIJN
volgend hoofdstuk

 
Auteurs
Lut VERSCHINGEL en Ingrid VANHAEVRE
 

 

Eindredactie
Ingrid VANHAEVRE
m.m.v. Lut VERSCHINGEL, Paul VAN CAPPELLEN en Luk JOOSSENS
 

 

Verantwoordelijke Uitgever
Jean-Marie BEGUIN
 

 

Bestelling van de brochure bij de uitgever
OIVO
Riddersstraat 18, 1050 Brussel
tel. 02/547.06.11, fax. 02/547.06.01
 

 

Uitgave
© OIVO, 1994
D-1994-2492-19
Reproductie voor niet-commerciële doeleinden vrij mits duidelijke bronvermelding.