.
GROENE RECLAME
IN DE BELGISCHE PERS
 


1. INLEIDING
1.1 Wat is reclame?
Volgens de wet op de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument is reclame gedefinieerd als "elk bericht dat rechtstreeks of onrechtstreeks tot doel heeft om de verkoop van een goed of een dienst (inclusief onroerende goederen, aandelen en obligaties) te stimuleren, ongeacht het kanaal of het communicatiemiddel dat voor de verspreiding van het bericht wordt gebruikt. 
Volgens Robert Rochefort (socioloog en directeur van het CREDOC ) is reclame "de belichting van de immateriële factor van de consumptiegoederen" (vert.).
Het is in elk geval een middel dat wordt aangewend om de consumenten voor louter commerciële doeleinden te overreden of; met andere woorden, om potentieel geïnteresseerde personen in bepaalde eigenschappen van een goed of een dienst te doen geloven. 

De boodschap moet sterk en duidelijk overkomen en mag geen tegenstrijdigheden bevatten. Publicisten zullen de beschikbare communicatiemiddelen (zoals woord, beeld, kleur, geluid enzomeer) aanwenden om een "eenrichtingsbericht" op te maken en dat bericht vervolgens aan een welbepaalde doelgroep aanpassen. 
De tekst is het belangrijkste element in een reclameboodschap, omdat met titels en slogans de aandacht wordt getrokken, omdat voordelen worden opgesomd en koopargumenten worden aangehaald, ... 
Bepaalde elementen zijn beter met beelden te illustreren. We bedoelen elementen zoals het uitzicht van het product en zijn verpakking, het logo dat de hele campagne samenvat, een sfeer die met het product wordt geassocieerd enzomeer. 
Als toemaatje kan kleur gebruikt worden om een beeld nog te versterken. 

 

1.2 Wat is "groene reclame"?
"Groene reclame" is reclame die een product aanprijst op basis van een ecologisch argument, ongeacht of dat product speciaal bewerkt is om een minder negatieve milieu-impact te hebben of gewoon via reclamepraktijken op het toenemende milieubewustzijn van de consumenten probeert in te spelen zonder dat zijn milieueffecten teruggeschroefd zijn. 

Om de doelstellingen te verwezenlijken, kan uit verschillende communicatiemiddelen gekozen worden. In de geschreven pers wordt vooral van tekst en beeld gebruik gemaakt. 

De tekst wordt doorweven met argumenten en wordt opgebouwd rond een slogan, waarmee men een korte zin bedoelt die inslaat en gemakkelijk te onthouden is. 
In het argumenteergedeelte wordt de slogan doorgaans verder uitgewerkt en toegelicht. In "groene reclame" gaat het daarbij vaak om de illustratie van een impact die het product tijdens één van zijn bestaansfasen (productie, distributie, gebruik, afvalverwerking na gebruik) heeft. De argumentering beperkt zich evenwel meestal tot één fase of tot ten hoogste twee fasen, maar zal maar uiterst zelden de hele levenscyclus van het product in beschouwing nemen. 
Niet alle reclameboodschappen gebruiken groene argumenten en slogans ; we vinden ook : 

  • reclameboodschappen met een groene slogan, maar zonder milieuargumenten ;
  • reclames zonder groene slogan, maar met milieuargumenten ;
  • reclames met groene slogan(s) en milieuargument(en).
Als de "groene" visuele communicatie gebruik maakt van foto's, tekeningen en kleuren, dan roepen die meestal beelden op van wilde vlakten, idyllische landschappen of natuurelementen (zoals dieren, fruit, planten, bloemen enzomeer), kortom van alles wat naar "natuurlijkheid" verwijst. Soms maakt men in die sector ook gewoon gebruik van gerecycleerd papier om de reclame een "ecologische allure" te geven. In het kleurenspectrum worden blauw (zuiverheid en vrijheid) en groen (natuur en rust) worden als ecologische kleuren beschouwd. Met visuele communicatie proberen de publicisten vooral om het product met een bepaald sfeerbeeld te associëren. 
1.3 Wat is de "immateriële factor van een consumptiegoed"?
Voor alle gebruiksvoorwerpen, van het meest ingenieuze tot het meest banale, geldt dat de aankoop door een link met een (vaak onbewust) ingebeelde eigenschap wordt gestimuleerd. 
Robert ROCHEFORT heeft het in dat verband over "de immateriële factor van een consumptiegoed". Voor de definitie van dat begrip baseert hij zich op de volgende eigenschappen van een goed of een dienst : 
  • de uitstraling van het merk of de productnaam;
  • design, vormen, kleuren, modegerichtheid, afstemming op sociale refertegroep;
  • verpakking;
  • uitgestraalde kwaliteit (ook al ligt die ver van de reële kwaliteit verwijderd);
  • enscènering van de verkoop (vorm van commercialisatie).
In de meeste gevallen wordt de immateriële link opzettelijk door de fabrikant of distributeur in het leven geroepen. Vandaar dat concurrentie zich vandaag de dag vooral afspeelt op het vlak van de vindingrijkheid in het bedenken van immateriële (= onwerkelijke) milieukenmerken : denken we maar aan de steun van Rhône-Poulenc aan de uitzending "Ushuaia", aan de oproep van Guigoz-melk om een boom te 'adopteren', enzomeer. 

De impact van die immateriële link verschilt van consument tot consument. Er zijn merken die een sterke aantrekkingskracht uitoefenen op de ene en een grote afkeer opwekken bij de andere consument. Er spelen daarbij evenwel trends die op een gegeven moment een meerderheid van de consumenten raken (aangezien het immateriële evolueert in functie van de maatschappelijke veranderingen). 

Om te vermijden dat de reclame in de realisatie van haar doelstellingen op lange termijn tekortschiet, moet de benadrukte immateriële factor versmelten met de functionele logica van het product of de dienst. 

 

1.4 Waarom neemt men zijn toevlucht tot milieuargumenten?
Alhoewel de prijs en de kwaliteit van producten als de belangrijkste keuzecriteria voor de consument blijven gelden, gaan ook hoe langer hoe meer andere criteria (zoals milieu-impact) een woordje meespreken. Waarom ? 

Omdat de hoe langer hoe meer milieubewuste burger het verband legt tussen die criteria en de verloedering van zijn leefomgeving, die hij aan den lijve ondervindt via zijn gezondheid, zijn leefcomfort enzomeer. Anderzijds vragen heel wat van de milieubeschermingsmaatregelen van de overheid een rechtstreekse input van de consumenten. Zowel reglementeringen (bijv. inzake het milieukeurmerk), als economische stimuli en sociaal-culturele maatregelen (bijv. oproep tot afvalsortering) kunnen geen succes hebben zonder de actieve participatie van de consumenten. Gelukkig voelen die zich heel erg bij de problematiek betrokken en willen ze graag hun steentje bijdragen... 

R. Rochefort verklaart het verschijnsel door te stellen dat het verval van traditionele waarden, het grote aantal oorlogsconflicten, AIDS, werkloosheid, aanslagen, milieuproblemen enzomeer de consument met een grote bezorgdheid overladen. Om daaraan te verhelpen, zoekt de consument naar geruststelling, met name via zijn consumptiekeuzes. "Het nieuwe immateriële effect dat wordt nagestreefd, is 'geruststelling'". 

Fabrikanten, handelaren en adverteerders hadden die trend ook snel door en spelen er zoveel mogelijk op in. 
Daarom worden de "groene producten" zo sterk gepromoot. Jammer genoeg gaat het daarbij heel vaak om producten die zogezegd milieuvriendelijker zijn, maar waarvan de onschadelijkheid van de milieu-effecten helemaal niet gewaarborgd kan worden. 

Als gevolg van de algemene angst voor ziekten wint "gezondheid" als verkoopargument aan beïnvloedingskracht. De milieuproblemen vergroten de impact van milieuargumenten. De open grenzen stimuleren de consument om terug te grijpen naar traditionele streekproducten of te kiezen voor etnisch verantwoorde producten. De maatschappelijke integratie van het individu en de samenwerking met de zwaksten, evenals de humanitaire aangelegenheden, krijgen hoe langer hoe meer aanhangers... 

Volgens R. Rochefort "wordt vandaag de dag het vergankelijke door het duurzame, het wegwerpmateriaal door recycleerbaar materiaal, het individuele door het familiale, het egoïsme door het solidaire, het anonieme door het gepersonaliseerde, en tenslotte het risico (bijv. in de vorm van overkreditering) door de voorzorg (bijv. in de vorm van sparen) vervangen". (vert.) 

Uit een studie van het "CREDOC" blijkt dat de Franse consumenten ervan overtuigd zijn dat de milieuaspecten hun keuzes in de toekomst nog sterker zullen gaan beïnvloeden. 38 % denken dat ze in de eerstkomende tien jaar meer "groene" producten zullen kopen ; 48 % denken dat ze even veel en slechts 7 % denken dat ze minder "groene" producten zullen kopen dan nu. Daarbij denken 60 % dat ze met die aankopen een erg grote tot behoorlijk grote bijdrage leveren aan het milieubehoud, terwijl 36 % het tegenovergestelde denken. Tenslotte denken 45 % dat de milieuzorg geen voorbijgaande trend is, terwijl 34 % de tegenovergestelde mening zijn toegedaan. 

 

1.5 Het wettelijke kader van de reclame
De basisprincipes van het wettelijke kader dat onder andere voor reclame geldt, zijn vastgelegd in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consumenten (B.S. 29/08/1991). 

Met die wet wordt een dubbel doel nagestreefd : enerzijds een eerlijke concurrentiestrijd garanderen en anderzijds de voorlichting en bescherming van de consument bevorderen. Het belangrijkste principe dat wordt gevolgd, is het recht op informatie over prijs, hoeveelheid, samenstelling, gebruiksaanwijzing enzomeer, of kortom over de verschillende kenmerken van de aangekochte producten of diensten. 

De wettelijke bepalingen inzake reclame gelden zowel voor producten als voor diensten en dekken het volgende toepassingsgebied : 

  • de oorsprong van de reclame ; t.t.z. geen beperking tot handelsreclame alleen, maar aandacht voor elke "communicatie" die tot doel heeft om de verkoop van producten en/of diensten te stimuleren ;
  • het doelpubliek ; t.t.z. niet alleen reclame naar consumenten toe, maar alle reclame, ongeacht de doelgroep ; de rechter kan zelfs al ingrijpen nog vóór de reclame in de openbaarheid is gebracht ;
  • de aard van de reclame, waarbij de wet spreekt van "communicatie", zonder specificatie voor het gebruikte medium ; daardoor worden sponsoring, gebruiksaanwijzing en etikettering even goed als reclamepraktijken beschouwd ;
  • de adverteerders, waarbij de wet geen enkele beperking in acht neemt, maar ook de verkopers van onroerende goederen en van onlichamelijk roerende goederen aan banden legt.
Onder "etikettering" verstaat de wet "alle mededelingen, aanduidingen, gebruiksaanwijzingen, productmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een product of homogene dienst en die aangebracht zijn op het product zelf of op de verpakking, of nog op documenten, etiketten, ringen of manchetten die het product of de dienst begeleiden of ernaar verwijzen". Die definitie is heel algemeen en dekt de prijsaanduiding, de hoeveelheidsaanduiding, de verplichte vermeldingen en de beschrijving van de samenstelling. 

De verplichte etiketvermeldingen moeten zichtbaar en leesbaar zijn en duidelijk van de reclametekst onderscheiden kunnen worden. 
Etiketten mogen in geen enkel geval worden opgemaakt op een manier die verwarring kan stichten met een keurmerk of een kwaliteitscertificaat. 

De algemene bepalingen van de kaderwet worden aangevuld met verticale wetten over de uiteenlopende productklassen (zoals voedingsmiddelen, cosmetica, pesticiden enzomeer). 

Er geldt een verbod op 

  • misleidende reclame : beweringen die verwarring kunnen doen ontstaan met betrekking tot de producten, de diensten, de persoon van de verkoper enzomeer ;
  • misleiding door weglating : de wet bepaalt dat de verkoper/dienstverstrekker geen essentiële informatie mag weglaten als de consument daardoor een verkeerd beeld van het product of de dienst kan krijgen ;
  • gecamoufleerde reclame : redactionele reclame is niet langer toegelaten, als ze niet duidelijk door de vermelding "reclame" wordt ingeleid ;
  • afbrekende reclame : zelfs als er geen impliciete of expliciete vergelijking wordt gemaakt, is en blijft het verboden om kritiek of laster uit te spreken over een andere handelaar, ongeacht of dergelijke beweringen al dan niet gestaafd kunnen worden ;
  • vergelijkende reclame : in België is men erg terughoudend als het gaat om het toelaten van dergelijke reclame ;
  • reclame die verwarring kan doen ontstaan ;
  • reclame voor verboden commerciële praktijken ;
  • reclame die verwijst naar vergelijkende tests die door verbruikersorganisaties zijn uitgevoerd ;
  • misleidende reclame voor producten of apparaten die zogezegd een medische werking zouden hebben ; dergelijke producten en apparaten zijn geen geneesmiddelen, maar desondanks probeert men in de reclame te laten uitschijnen dat ze een gunstig effect op de gezondheidstoestand van de consument kunnen hebben ; het is evenwel verboden om naar de gezondheid te verwijzen.
Toen de wet van 1991 nog niet bestond, was het altijd de eisende partij die de juistheid van de aanklacht moest bewijzen, omdat het principe gold van "elke bewering moet gestaafd worden". Sinds de wet van 1991 is de bewijslast omgekeerd en is het de adverteerder die moet aantonen dat zijn argumenten juist zijn. Zowel in de aanmaningsprocedure als in cassatie ligt de bewijslast bij de adverteerder. 

In de aanmaningsprocedure is het de Minister van Economische Zaken of diens aangestelde die de adverteerder tot de orde roept als een bepaalde reclameboodschap gegevens bevat die de consument kunnen misleiden. Daarop wordt tegen de overtreder proces-verbaal opgemaakt en wordt hem gevraagd om zich naar de wet te schikken. Dat is een louter administratieve maatregel. 
Als die procedure faalt of als de inbreuk op de wet niet wordt rechtgezet, kan een gerechtelijke procedure worden ingezet in cassatie. Bij een procedure in cassatie tegen misleidende reclame kan de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel even goed van de adverteerder eisen dat dezelfde gegevens (nl. identiteit, hoeveelheid, samenstelling, prijs, oorsprong, fabricage- of vervaldatum, de voorwaarden voor verkoop, verhuur, uitvoering, levering of waarborg, de gebruiksmogelijkheden, beschikbaarheid en bestaan van de voorgestelde goederen en diensten) worden bewezen. Die gegevens moeten meetbaar en controleerbaar zijn. 

Wie zijn de aanklagers ? 
Een aanmaningsprocedure kan gestart worden door al wie zich door een reclame benadeeld voelt en daarover een brief naar het Ministerie van Economische Zaken schrijft. 
Een procedure in cassatie kan ingeleid worden door volgende personen : 

  • alle belanghebbenden die kunnen aantonen dat ze door de inbreuk schade lijden en dat ze bijgevolg gemachtigd zijn om een gerechtelijke actie in te leiden ;
  • de Minister die voor Economische Zaken bevoegd is ;
  • een interprofessionele of beroepsvereniging die een rechtspersoonlijkheid heeft ;
  • de verbruikersverenigingen ;
  • een andere betrokken minister.
De bepaling van wat nu precies te beschouwen is als reclame die zou kunnen misleiden, ligt een stuk moeilijker. Bij gebrek aan welomschreven criteria blijven tal van interpretatiemogelijkheden open en ontstaat een gevoel van juridische onzekerheid. Dat probleem doet zich uitermate sterk gevoelen in het domein waarover deze studie handelt, te weten de reclame met een ecologisch karakter. 

Vandaar dat er in de wet werd voorzien dat binnen de "Raad voor het Verbruik" een commissie zou worden opgericht voor adviezen en aanbevelingen aangaande reclame en etikettering met betrekking tot milieu-effecten en aangaande de uitwerking van een code voor ecologische reclame. 

Vandaag de dag is dat probleem van de baan dankzij het Koninklijk Besluit van 13 januari 1995 (B.S. 10/02/1995) houdende oprichting van de Commissie voor Milieuetikettering en Milieureclame en de twee Ministeriële Besluiten (25/04/1995 en 15/06/1995 - zie B.S. 28/06/1995) tot benoeming van de voorzitter, ondervoorzitter en leden van de Commissie voor Milieuetikettering en Milieureclame. Volgens die Besluiten is de Commissie samengesteld als volgt : 

  • voorzitter ;
  • ondervoorzitter ;
  • 4 leden ter vertegenwoordiging van de consumentenorganisaties ;
  • 4 leden ter vertegenwoordiging van de organisaties van de productie, distributie, landbouw en middenstand ;
  • 4 leden ter vertegenwoordiging van de professionele reclamemilieus;
  • 4 leden die de organisaties ter bescherming van het milieu vertegenwoordigen.
De officiële inwijding van de Commissie voor Milieuetikettering en Milieureclame door Minister Elio DI RUPO vond plaats op 7 november 1995. 

In zijn inwijdingstoespraak heeft de minister de nadruk gelegd op de rol van de Commissie voor de Code van Milieureclame. 
"De commissie 'groene reclame' is noodzakelijk geworden door het feit dat heel wat ecologische argumenten worden aangevoerd om tal van producten beter te kunnen verkopen.
Onze burgers zijn meer en meer bekommerd om het milieueffect van hun aankopen. Zij gedragen zich meer en meer als plichtbewuste burgers. Deze zorg voor het milieu is gegrond en wij moeten ze aanmoedigen. Het zou trouwens onaanvaardbaar zijn indien sommige handelaars iemands burgerzin misbruiken door hem met producten te bedriegen.
De Commissie voor de Code van Milieureclame zal dus een globale controle van de 'groene reclame' uitvoeren. Met de betrokken acteurs zal zij bepalen welke beschermingsmaatregelen moeten worden genomen ingevolge het grote aantal misbruiken."

De Commissie voor de Code van Milieureclame heeft haar werkzaamheden op 29/11/1995 aangevat. Na de vergaderingen die gewijd zijn aan de uitwerking van haar huishoudelijk reglement en aan het samenstellen van een soepel en doeltreffend dagelijks bestuur, bestaande uit acht leden, zal de Commissie voor de Code van Milieureclame de problemen onderzoeken die op de Code van Milieureclame betrekking hebben. 

De Commissie voor de Code van Milieureclame zal niet tussenbeide komen in de bevoegdheid van de Jury voor Eerlijke Praktijken inzake reclame (JEP), die in april 1992 een reclamecode heeft goedgekeurd die naar het milieu verwijst. Die code is gebaseerd op de code van de internationale kamer van koophandel, die op 3 december 1991 werd goedgekeurd. De JEP is een orgaan ter bevordering van de zelfdiscipline in reclame (zie 1.6 - vrijwillige codes). 

De Commissie voor de Code van Milieureclame zal samenwerken met het toekomstige comité voor het ecolabel (Staatssecretariaat voor Leefmilieu), dat belast is met de aflevering op Belgisch niveau van het Europese ecolabel. De wederzijdse aanwezigheid van deskundigen binnen de twee commissies zou een gezamenlijke actie kunnen waarborgen, in het bijzonder wat betreft reclame die gebaseerd is op een ecolabel. 

Dit alles betekent dat er momenteel een juridisch kader voorhanden is, maar zolang de geplande code van milieureclame niet concreet is uitgewerkt, blijven de wettelijke bepalingen ontoepasbaar in de praktijk. 

 

1.6 De vrijwillige codes
Om in te gaan tegen de misbruiken en overdrijvingen, die in strijd zijn met de informatieve rol van de reclame en toch alleen maar wantrouwen bij de consumenten wekken, hebben de professionele reclamemakers een systeem van zelfdiscipline ingevoerd dat ze doeltreffender vinden dan een reglementering die van buitenaf wordt opgelegd. 

In zo'n systeem zijn de volgende elementen onontbeerlijk : 

  • een ethische code, t.t.z. een pakket regels die de reclamegebruikers onderling zijn overeengekomen en die als basisregels gelden ;
  • instemming van de reclamegebruikers met die basisregels ;
  • organismen van toezicht die de naleving van de code kunnen controleren en/of afdwingen.
In dat verband werd in 1967 de Raad voor de Reclame opgericht om op de toepassing van de Belgische Code inzake Reclame toe te zien. Eerder al, meer bepaald in 1964, had de Belgische Vereniging van Adverteerders een reclamecode voor geneesmiddelen en medische behandelingen voor het grote publiek uitgewerkt. En in 1974 had de Belgisch-Luxemburgse Vereniging voor cosmetische producten en hygiëne al een reclamecode voor die betreffende producten in voege gebracht. 

De Raad voor de Reclame heeft in 1974 beslist om de "Commissie voor de Belgische code van reclame" te vervangen door de "Jury voor Eerlijke Praktijken inzake reclame" (JEP). Die Jury wordt voorgezeten door een zelfstandige persoonlijkheid. De werkingsprocedure is in een reglement van interne orde vastgelegd. 
Voor de doeltreffendheid van zijn werking hangt de JEP volkomen af van de bereidheid of gedrevenheid van adverteerders, reclamebureaus en media om diens adviezen en aanbevelingen op te volgen. 

Sinds 1977 heeft de JEP de activiteiten van de Comités van Reclame voor geneesmiddelen en van Reclame voor cosmetica overgenomen. 

Voor de geschreven pers worden de controles, zowel voor dagbladen als voor tijdschriften, door de persorganen uitgevoerd. Dankzij de JEP wordt dat controlemechanisme nog versterkt. 
Voor de andere media worden de reclameboodschappen vrijwillig, nog vóór het starten van de campagne, voor advies aan de JEP voorgelegd.
In alle gevallen kan de JEP het initiatief nemen om een reclame te onderzoeken en er een advies over uit te spreken. 

Als een consument of fabrikant zich door een reclamecampagne geschaad of geshockeerd voelt, kan hij bij de JEP een klacht neerleggen en vragen om in de aanpassing of stopzetting van de campagne tussen te komen. 

De JEP heeft een deontologische code uitgewerkt voor reclame met een ecologisch karakter, waarin de volgende bepalingen voorkomen : 

Artikel 1 Reclame dient zo opgesteld te worden dat zij geen misbruik maak van de zorg van de consument voor het milieu, of dat zijn mogelijk gebrek aan milieukennis niet wordt uitgebuit.

Artikel 2 Reclameboodschappen mogen niet de schijn wekken handelingen goed te keuren of aan te moedigen die indruisen tegen de wet, de zelfregulerende codes of algemeen aanvaarde normen van milieuverantwoordelijk gedrag.

Artikel 3 a) Reclame mag geen verklaring of presentatie bevatten die op enigerlei wijze de consument kan misleiden omtrent de milieuaspecten of -voordelen van producten of omtrent maatregelen die de adverteerder neemt ten gunste van het milieu.
Reclame voor ondernemingen mag verwijzen naar specifieke producten of activiteiten, maar mag zonder bewijsvoering niet impliceren dat deze zich uitstrekken over alle praktijken van een onderneming, groep of industrie.

b) Uitdrukkingen zoals "milieuvriendelijk" of "ecologisch veilig" die suggereren dat een product of een activiteit geen invloed of alleen maar een positieve invloed heeft op het milieu, mogen niet worden gebruikt, tenzij men beschikt over bewijzen van hoge waarde.

Artikel 4 Reclame mag alleen gebruik maken van technische ontwikkelingen of wetenschappelijke resultaten omtrent milieu-invloeden wanneer deze door ernstig wetenschappelijk werk zijn onderbouwd.
Milieuterminologie of wetenschappelijke vaktaal is toelaatbaar, mits deze relevant is en wordt gebruikt op een voor de consument gemakkelijk te begrijpen wijze.

Artikel 5 Gelet op de snelle evolutie in de milieukunde en -technologie, moet bij gebruikmaking in reclame van getuigschriften of verklaringen ter ondersteuning van milieuargumenten, met grote zorg worden nagegaan of door wijzigingen in de samenstelling van het product of marktomstandigheden, deze verklaringen niet achterhaald zijn.

Artikel 6 Superioriteit in milieuzorg over een concurrent mag alleen opgeëist worden als een betekenisvolle voorsprong kan worden aangetoond.
Aanspraken met betrekking tot concurrerende producten, gebaseerd op de afwezigheid van een schadelijk bestanddeel of een nadelig effect, zijn alleen toelaatbaar als andere producten in diezelfde categorie dat bestanddeel wel bevatten of dat effect wel veroorzaken.

Artikel 7 a) Milieuargumenten mogen niet laten geloven dat zij betrekking hebben op meer stadia in de levenscyclus van een product of meer eigenschappen daarvan dan effectief het geval is en dienen, waar nodig, duidelijk aan te geven op welk stadium of op welke eigenschap zij slaan

b) Als reclame verwijst naar een vermindering van bestanddelen of elementen die een schadelijke invloed hebben op het milieu, dan moet wat werd verminderd duidelijk aangegeven zijn. Eventuele vervangingselementen moeten een gevoelige verbetering meebrengen voor het milieu.

Artikel 8 Milieutekens of -symbolen mogen in reclame alleen gebruikt worden als de herkomst ervan duidelijk is vermeld en de betekenis van deze tekens geen verwarring wekt. Zulke tekens of symbolen mogen geen valse officiële erkenning suggereren.

Artikel 9 Milieuargumenten betreffende afvalscheiding, -inzameling, -bewerking of -vernietiging zijn toegelaten mits de aanbevolen inzamelings-, bewerkings- en vernietigingsmethode algemeen aanvaard en voldoende beschikbaar is of dat zijn mate van beschikbaarheid duidelijk staat aangegeven.

Artikel 10 Beschrijvingen, beweringen of illustraties betreffende controleerbare feiten dienen met bewijzen gestaafd te kunnen worden. De adverteerders moeten beschikken over deze bewijzen om ze onverwijld te kunnen voorleggen aan het zelfreguleringsorgaan dat belast is met het doen naleven van de Internationale code voor het reclamewezen.
 

 

De grenzen van de vrijwillige codes
De sectoren van productie, distributie en reclame vinden een vrijwillig systeem toereikend om de misbruiken te beperken en verzetten zich tegen een meer dwingend systeem. Het probleem is alleen dat vrijwillige codes niet afdwingbaar zijn. 
Bovendien zijn de termijnen om klachten te onderzoeken behoorlijk (nl. meerdere maanden) lang en ontmoedigend voor de consument die vaststelt dat de aangeklaagde reclamecampagne al lang is afgelopen op het ogenblik dat de JEP advies uitbrengt

 
De bovenstaande tekst is slechts één hoofdstuk uit een veel uitgebreidere brochure. De andere hoofdstukken zijn toegankelijk via de volledige inhoudstafel. Bovendien beschikken wij nog over een hele reeks andere interessante publicaties. Via onze site bieden wij trouwens nog een boel andere informatie en diensten aan.

 
 
vorig hoofdstuk TOP PAGINA VOLLEDIGE INHOUD ANDERE PUBLICATIES HOME ECOLIJN volgend hoofdstuk


 
COLOFON EN BESTELLINGEN
Een uitgave van:
Het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO)
Riddersstraat 18 
1050 BRUSSEL 
Tel: 02/547.06.11 
Fax:  02/547.06.11 

 

Verantwoordelijke uitgever:
Jean-Marie BEGUIN 
© OIVO, 1997 
D-1997-2492-9 

 

Redactie:
Muriel PIAZZA (2de studie 1997) 
Christian BONTINCKX (1ste studie 1994) 
Stefan COSAERT (vertaling) 
Paul Van Cappellen (eindredactie Nederlandstalige tekst)