OIVO


DUURZAME CONSUMPTIE

MILIEUVRIENDELIJK VERBRUIKEN
IN DE VOEDING,
GEDURENDE DE VRIJETIJD EN OP REIS

 


 

DUURZAME CONSUMPTIE IN DE VOEDING
Zoals gezegd kan de consument bij de aankoop van voeding elke dag opnieuw keuzes maken voor duurzame producten en dat ten nadele van producten waar al te veel energie, meststoffen of pesticiden voor zijn gebruikt. Of, hij zou dit ten minste kunnen doen als hij over voldoende informatie en een ruim en betaalbaar aanbod zou beschikken. Als de consument zijn wekelijkse zak bintjes haalt in de supermarkt, zal hij moeten beseffen dat dit de meest milieu-onvriendelijke aardappelsoort is die hij zich kan aanschaffen.

De overheid en het bedrijfsleven kunnen bij dit alles een belangrijke rol spelen door duurzame producten te bevorderen :

het aangaan van convenanten of het opleggen van wettelijke bepalingen ;
het introduceren van een gemakkelijk herkenbaar milieukeurmerk voor duurzame producten.
een duurzamere productiewijze voor een breed gamma aan voedingsmiddelen.

We zullen achtereenvolgens zien hoe ons voedingspatroon een enorme hypotheek legt op het milieu, zowel in het noordelijk als in het zuidelijke halfrond en vervolgens een aantal bouwstenen aanreiken om via onze manier van voeden, mee te bouwen aan een meer duurzame samenleving.
 

Voeding in het westen : bevrijd van vrees en nood

Nu we niet langer in het zweet ons aanschijn ons dagelijks brood moeten verdienen, hebben we een heel andere houding tegenover voedsel dan vroeger.
Rond 1850 werd nog 65% van het gezinsbudget in West-Europa besteed aan voedsel, vandaag is dit nauwelijks nog een kwart.
Het dagelijks voedselverbruik illustreerde toen ook treffend de heersende sociale ongelijkheid : voor de arbeidersklasse diende voedsel om de honger te stillen, terwijl voor de hogere klasse voeding een statussymbool was. Je was sociaal succesvol als je dure diners kon geven : op 1 avond at 1 genodigde op zo'n diner voor evenveel geld als het bedrag waarmee een lid van een arbeidersgezin zich 4 maand moest voeden.

Tabel 1 : Consumptie in verschillende sociale klassen in België rond 1850 (kg of l/jaar)

klasse aardappelen brood (karne) melk boter vlees (spek)
Landarbeider 350 160 80 10 6
Gentse wevers, metselaars, fabriekwerkers 190 140 45 8 8,5
Gentse meestergast 320 200 65 10 12
Kostscholieren in Melle 270 130 81 24 47
Zeer rijken 250 125 50 39 80

 

Een eeuw later was dit voedingpatroon drastisch gewijzigd. Het brood- en aardappelverbruik stabiliseerde zich voor alle lagen van de bevolking. Voornamelijk het vleesverbruik onderscheidde nu de lagere van de betere betaalde arbeiders : de goedbetaalden verbruikten 55 kg/hoofd/jaar in 1929 tegenover 27 kg/hoofd/jaar in de lagere klassen.

Ons huidig voedselpatroon wordt gekenmerkt door een te hoog verbruik van voedselenergie en vetten (o.a. door groot verbruik van voedsel van dierlijke oorsprong). Daarnaast is ook het verbruik van suiker en suikerhoudende producten én van alcohol gestegen. Tegelijkertijd wordt ook steeds meer industrieel bewerkt voedsel op de markt gebracht. Het groter aanbod van voedingsmiddelen op de markt heeft niet automatisch geleid tot gezondere consumenten. De consument heeft over het algemeen weinig informatie over het voedsel dat hij koopt. Meestal maakt hij zijn keuze op basis van prijs en/of gemak. Bezorgdheid om zijn eigen gezondheid of om het milieu dat hem omringt komen vaak op de laatste plaats. Slechts een kleine groep consumenten stelt vandaag andere eisen dan prijs en kwaliteit :

of voor het product wel een eerlijke prijs werd betaald ;
of het dier  een 'dier-waardige' manier werd grootgebracht ;
of het niet zinloos is om bonen uit Nigeria te kopen in de supermarkt, terwijl de boer om de hoek ze bij wijze van spreken maar van de staak hoeft te plukken.

Het wordt de hoogste tijd dat de consumentenorganisaties zich niet enkel meer richten op prijs of kwaliteit van de producten. Er staat méér op het spel!

Club van Rome, Brundtland en Rio : grenzen aan groei

Meer dan 20 jaar geleden publiceerde de Club van Rome haar beroemde rapport "De grenzen van de groei". Ook zij stelden al het idee van de duurzame groei. Heel het concept van "duurzame ontwikkeling" vinden we terug in het rapport van de Brundtland-commissie in 1987 : het idee is om het economisch handelen zo om te buigen dat de natuur en de natuurlijke hulpbronnen niet worden opgeofferd in het streven naar steeds grotere welvaart. Of anders gezegd : dat we er dringend voor moeten zorgen dat al onze kinderen en kleinkinderen nog een leefbare wereld erven.
Iedereen is het er vandaag over eens dat de voortdurende accumulatie van consumptie en de productie die hiermee samenhangt, onherroepelijk zal leiden tot uitputting van de grondstofvoorraden en tot een onaanvaardbare milieubelasting voor het leefklimaat op aarde. Dit alles stond ter discussie op de wereldconferentie van '92 in Rio de Janeiro. Hier werd een Agenda 21 opgesteld om ervoor te zorgen dat de planeet Aarde ook voor de toekomstige generaties bewaard blijft. De schaarste van grondstoffen en productiemiddelen moet dringend onderkend worden, óók door de Westerse, verwende consument die dit misschien het minst van al beseft. De groeiende discrepantie tussen wat we beleefd "de onderconsumptie van het zuidelijk halfrond" en de "overconsumptie van het noordelijk halfrond" kunnen noemen (of realistischer : het verkwistende Westen tegenover het verhongerende Zuiden) is ook ethisch niet aanvaardbaar.
Het timmeren aan een duurzame samenleving zal inspanningen vereisen van producenten én  overheid, maar óók van de consument die zijn levensstijl zal moeten herzien.

Voedselveiligheid voor Noord én Zuid

De vooruitzichten van het Worldwatch Institute voor de periode 1990-2030 zijn verre van optimistisch. Men rekent een bevolkingsaangroei van 90 miljoen per jaar, waarvoor steeds minder te eten zal zijn. De mogelijke aanwas van de graanproducten met 12 miljoen ton/jaar, zal helemaal nodig zijn om de bevolking te voeden. Wat betreft de runds- en schapenvleesproducten wordt weinig of geen groei verwacht en in de visvangst wordt een terugval voorspeld van 19 naar 11 kg per hoofd.
Om het beschikbare voedsel op een eerlijke manier te verdelen, is een drastische herziening van ons voedselpatroon nodig.

Het Worldwatch Institute stelt de wereldvoedselconsumptie voor als een ladder met 3 sporten : zowel onder- als bovenaan hebben de menselijke gezondheid en het milieu te lijden. 
Om tot een duurzaam voedselpatroon te komen zou heel de wereldbevolking in het midden van de ladder moeten terecht komen. In hun poging om te overleven, vernietigen de hongerige armen vaak het milieu (bodemerosie, houthakken, ...). Op de bovenste sport leven de consumenten van vlees, verwerkte en verpakte eetwaren en drank in wegwerpverpakking. Naast een ernorme verspilling wordt de gezondheid zélf van de "upper-consument" bedreigd. Om de vleesetende klasse te voeden heeft men 40% van 's werelds graan nodig. Het verpakken van voedsel slorpt bergen metaal, glas, karton, papier en plastic op : tomaten die een week goed blijven worden verpakt in piepschuim en plastic dat 100 jaar meegaat ... . 
Tenslotte is het welvaartseten ook enorm afhankelijk van transport over lange afstanden : Noord-Europeanen eten sla die per vrachtwagen uit Griekenland komt en Japanners voeden zich met tonnen Australisch struisvogelvlees. En, last but not least betaalt de upper-consument de prijs voor zijn levensstijl in welvaartsziekten zoals hartkwalen en borstkanker.

Lester BROWN concludeert dan ook in zijn State of the World '94 dat alleen al om gezondheidsredenen, vleesconsumptie in de welvaartslanden moet teruggedrongen worden : "If gouvernments in these societies want to lower consumption to improve health and free up grain for the world's poor, they can do it through  public education and exhortation, through taxing consumption of livestock products, or through rationing. Scarcity-induced price rises can also cut the amount of livestock products people eat".
Echte voedselveiligheid voor heel de aardbol betekent dus voor ons een andere voedselconsumptie, rekening houdend met ecologische én gezondheidsnormen.

Een belangrijk actieterrein op weg naar duurzaamheid

Het is ons aller plicht om mee te werken aan de nieuwe duurzame samenleving. Uiteraard zal voornamelijk op productniveau moeten ingegrepen worden om verspilling bij de basis tegen te gaan. Er moet een aanbod komen van duurzame en milieuvriendelijke producten en de reclame moet ophouden om precies het tegengestelde van duurzaamheid te promoten. 

De auteurs van de "Vrekkenkrant" geven in hun boekje "Meer doen met minder" een treffend voorbeeld van anti-duurzaamheid reclame : 
"Een multinational, Philips in dit geval, zond vorig jaar regelmatig tv-reclamespots uit die ongeveer het volgende verhaal vertellen : Vader komt thuis van zijn werk. Hij is behoorlijk opgewonden, dat is duidelijk. Eerst begroet hij zijn vrouw door de koptelefoon van haar hoofd te rukken, en de stereo met een moker in elkaar te slaan. Dan volgen de computer van zoonlief en het videospelletje dat het dochtertje zit te spelen. Ze zitten er aanvankelijk verschrikt bij. Weg met die troep, verouderd ! Stamp het maar in elkaar, de vuilnisbak in. Vader heeft een cd-installatie gekocht. Muziek ! (einde reclamespot)".

Naast een uitgebreid aanbod van milieuvriendelijke producten en diensten (waarvoor ook de overheid voldoende incentives moet geven naar industrie en landbouw toe om op een andere manier te gaan produceren) zal echter ook het gedrag van de consument moeten wijzigen.
Regulering van het aanbod alleen zal altijd onvoldoende zijn vermits werken aan een duurzame samenleving ook gedragsverandering veronderstelt. Het is uiteindelijk de consument zelf die zal beslissen om met de fiets naar de buurtwinkel te gaan of met de auto naar de supermarkt 10 km verder, het is de consument zelf die zal beslissen om groenten van het seizoen te kopen of ingeblikte uitheemse groenten,...
Door voortdurend de juiste keuze te maken zal de consument ook op zijn beurt invloed uitoefenen op het aanbod.

Voeding is hierbij een heel interessant terrein omdat het een grote hap uitmaakt van het huishoudbudget, omdat het een terrein is dat voor de consument makkelijk begrijpbaar is, omdat het om een dagelijks terugkerend ritueel gaat én omdat naast het milieu-aspect en het ethische aspect ook het aspect van de eigen gezondheid kan bespeeld worden waar de consument sowieso gevoelig voor is onder het motto "het hemd is nader dan de rok".
Het domein van de voeding zou op die manier wel eens exemplarisch kunnen worden voor een globale gedragsverandering in de richting van de duurzaamheid. En het aanpassen van het consumptiepatroon is precies één van de voorziene doelstellingen van Agenda 21.
Het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) berekende dat in '89 om en bij de 20 % van de consumptie-uitgaven van de Belgische huishoudens aan voeding besteed werden. Dit is, na huisvesting, de tweede belangrijkste uitgavenpost.

Maar we zeiden het reeds : het is niet omdat een consument van zichzelf denkt dat hij milieuvriendelijk is, dat hij ook milieuvriendelijk gedrag vertoont. Hiervoor is vaak een uitgebreide bewustmakings- en informatiecampagne nodig. En ook de nodige randvoorwaarden moeten vervuld zijn : nu brengt bijna iedereen zijn glas naar de container omdat het verboden werd het nog langer in de vuilzak te dumpen en er containers in de buurt werden opgesteld of veelvuldige ophaalrondes werden georganiseerd. 

Het zou onrealistisch zijn om gedragsverandering van vandaag op morgen te verwachten. Het is een werk van lange adem. Denken we maar aan de anti-rookbeweging : 10 jaar geleden was het nog ondenkbaar dat rokers in het verdomhoekje zouden komen te zitten waar ze vandaag zijn ingesukkeld.
De uitdaging rond ons voedselpatroon is zo mogelijk nog groter en omvangrijker !

Relatie voeding/milieu van de wieg tot het graf

Uit onderzoek blijkt dat weinig consumenten een band leggen tussen voeding en milieu. Wel associëren ze veelal verpakkingen met milieu. Nochtans hebben de meeste voedingsmiddelen een hele weg achter de rug vooraleer ze op ons bord belanden. Vooraleer we dus over milieuvriendelijke consumptie spreken, moeten we naar de manier van produceren kijken want milieuvriendelijke voeding heeft zowel een productiecomponent als een consumptiecomponent.

a) Productie van milieuvriendelijke voeding

Aan de productiezijde trekt momenteel het overbemestingsprobleem in veeteelt en landbouw het meest de aandacht in de media. Door overbemesting komt er te veel fosfaat, kalium en nitraat in de bodem dat uitspoelt in grond- en oppervlaktewater.
We mogen echter niet vergeten dat onze vleescultuur een erg omslachtige manier is om ons te voeden door de weinig efficiënte omzetting van plantaardige in dierlijke eiwitten.  Er wordt immers aangenomen dat om  1 kilo vlees te produceren 7 kilogram graan nodig is. Daarenboven wordt om al dat vee te voeden, krachtvoeders gebruikt die deels afkomstig zijn uit de derde wereld waarvoor dan weer tropische bossen moeten sneuvelen.

Naast de al te intensieve veeteelt is er eveneens wat loos met het telen van gewassen waarvoor te veel bestrijdingsmiddelen en kunstmest worden gebruikt. Dit leidt tot ophoping van schadelijke stoffen in het milieu of een totale deregulatie voor het eco-systeem. Ook de land- en tuinbouw onder glas zorgt voor een enorme belasting van het milieu en uitputting van de grondstofreserves door de enorme hoeveelheden energie die opgeslorpt worden. Er is heel wat gas en elektriciteit nodig om de kassen te verwarmen en te verlichten. De teelt van 1 kilo groenten en fruit in volle grond kost 6,5 MJ aan energieverbruik, terwijl dezelfde hoeveelheid gekweekt onder glas in de zomer 53,9 MJ kost en in de winter 164,9 MJ.

Niet enkel de productie zelf maar ook de verwerkingsfase van ons voedsel brengt heel wat milieubelasting met zich mee (in de vorm van water- en energieverbruik). In het bijzonder kant- en klare voeding, kost veel energie.
Ook het verpakken van voedingsmiddelen belast het milieu door uitputting van grondstoffen en vergroting van de afvalberg (zeker voor gemaksvoeding en diepvriesproducten).

b) Distributie

Tenslotte moet het voedsel nog in de winkel geraken. Het transport zorgt voor toenemende luchtvervuiling én energieverbruik, zeker als de producten van heinde en ver per vliegtuig worden overgevlogen.
Ook het gekoeld bewaren van voedsel bij lage temperaturen slokt heel wat energie op.

De afstand producent/consument is duidelijk enorm toegenomen.  Zelfs langs de consumentenzijde merken we een verspreiding van de distributiekanalen die verder van de verbruikers af liggen : kenschetsend is de inplant van grootwarenhuizen aan de rand van steden die een verplaatsing van de verbruikers met de auto vergen om hun dagelijkse dan wel wekelijkse aankopen te doen.

c) Consumptie van milieuvriendelijke voeding

Als het voedsel dan eindelijk in de winkel ligt, is het aan de individuele consument om een keuze te maken. En ook hier loopt het vaak mis. 

Uit een recent Nederlands onderzoek blijkt dat 56% (!) van de consumenten niet op de hoogte is van het bestaan van biologische producten. Het marktaandeel van biologische aardappelen bijvoorbeeld bedraagt in Nederland slechts 2,5%.
Niet alleen heeft de (doorsnee)consument dus niet veel kaas gegeten van milieuvriendelijke voeding, bovendien grijpt hij vandaag de dag steeds meer naar gemaksvoeding (weinig moeite en vlug klaar, maar enorm energiebelastend en vaak oververpakt). Niet alleen bij de productkeuze maar ook met het inkoopgedrag loopt het mis : steeds meer gezinnen doen minder keer boodschappen per week en gebruiken de auto om veel voedsel in 1 keer mee te nemen. Dit leidt tot nog meer gebruik van langer houdbaar en meer bewerkt voedsel en meer gebruik van de diepvries.

Eens het voedsel thuis is, gaat de consument aan de slag om het te bewaren en klaar te maken. Hier komen ijskast, diepvries, elektrisch vuur, magnetron, vaatwasmachine, ... op de proppen. Ook hier kan de consument telkens de minst energieverslindende keuze maken.
Als alles eindelijk op het bord en in de maag zit, moet het afval opgeruimd worden, liefst op een milieuvriendelijke manier. Als we weten dat verpakkingen in het huishoudelijke afval voor het grootste gedeelte afkomstig zijn van voedings- en genotsmiddelen, is het wel degelijk zinnig om ook hier aan afvalpreventie en -scheiding te doen. Minder verpakkingen kopen en het gescheiden houden van glas, papier, blik, plastic en groenten- en fruitafval behoren tot de mogelijkheden.

Kortom, van de wieg tot het graf van een of ander voedingsmiddel, kunnen er telkens opnieuw milieuvriendelijke keuzes gemaakt worden die bovendien ook nog de gezondheid ten goede kunnen komen en die tenslotte ook rekening houden met een eerlijker voedselverdeling op aarde.
 
 
 

Tips voor  een duurzame voedselconsumptie
Een mens- en milieuvriendelijke voeding is niet zo eenvoudig te definiëren maar zou minstens met volgende elementen rekening moeten houden:

- de teelt van voedsel en veevoeder moet liefst zo dicht mogelijk bij huis gebeuren;
- biologisch geproduceerde teelten verdienen de voorkeur: zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen en zo min mogelijk uit de glastuinbouw;
- de vleescomponent in voeding moet verminderen en in elk geval zonder groeibevorderaars zijn;
- dierlijk voedsel moet afkomstig zijn 'dierwaardig' gehuisveste dieren;
- het voedsel moet zo weinig mogelijk bewerkt zijn en milieuvriendelijk verpakt.

Het is aan de consument om bovenstaande eisen te formuleren tegenover het voedsel dat de producent hem of haar aanbiedt. Als dergelijk soort producten in alle winkels massaal te vinden zijn, kan de consument op zijn beurt proberen deze producten op een milieuvriendelijke manier te consumeren:

- minder boodschappen doen met de auto;
- minder lang houdbaar en/of voorbewerkt voedsel aanschaffen;
- zo veel mogelijk seizoengroenten en verse producten kopen;
- minder vlees eten;
- geen voorgeschilde aardappelen of voorgesneden groenten kopen;
- koelkast en diepvriezen niet op warme plaatsen installeren en regelmatig ontdooien (minder energieverbruik!);
- magnetron niet gebruiken om te ontdooien (extra energie!);
- vaatwasmachine alleen volledig gevuld gebruiken;
- liefst niet elektrisch koken (kost meer energie als op gas);
- afval consequent gescheiden houden: glas, blik, papier, plastic;
- groenten- en fruitafval composteren.

 

De bovengeschetste omschakeling naar een duurzaam voedingspatroon zal niet zo eenvoudig zijn, vermits het ingaat tegen de huidige tendens van "snel en gemakkelijk". In onze super-flexible en super-prestatiegerichte samenleving wordt eten (en zeker koken) al gauw gereduceerd tot "een snelle hap".

Als we de consument echter toch op een dergelijke duurzaamheidspoor willen krijgen, zal er op drie terreinen moeten gereageerd worden :

het bijspijkeren van zijn gebrekkige kennis van milieuvriendelijke voeding (informatieverstrekking, keurmerken,...);
de relatief moeilijke verkrijgbaarheid ervan;
het vaak grote prijsverschil met de "gewone" producten.

Het zou oneerlijk zijn dat alleen de rijken recht hebben op gezond en eerlijk verbouwd voedsel. Het prijsverschil moet dus dringend weggewerkt worden. De overheid kan hier een rol spelen (zie verder), maar ook de consument zelf kan enige creativiteit aan de dag leggen.

Luisteren we maar naar de raad van de Vrekkenkrant :
"Als je alles bij de Groene-Weg-slager wilt kopen en op de oude voet doorgaat met vleesconsumptie, ben je inderdaad stukken duurder uit. We kunnen ook nu consuminderen (...). Leer koken met tofu, granen en peulvruchten en ontdek dat je met een eitje, wat kaas, een paar paddestoelen of iets dergelijks ook prima resultaten kunt bereiken. Met wat oud brood, wat bouillon, een ei, knoflook en kruiden maak je heerlijke alternatieve "hamburgers", ...".

De overheid kan bij dit alles een belangrijke rol spelen, o.a. door het heffen van ecotaksen om met de opbrengst hiervan duurzame producten te bevorderen :

het aangaan van convenanten of het opleggen van wettelijke bepalingen;
het introduceren van een gemakkelijk herkenbaar milieukeurmerk voor duurzame producten.

Een overheid die mee aan de kar duwt om het idee van "geldwelvaart" om te wisselen voor "tijdwelvaart", zou een wereld van verschil maken. In plaats van workaholics te stimuleren, zou men arbeidsduurvermindering massaal kunnen promoten : minder werktijd betekent o.a. méér vrije tijd om eventueel zélf groenten te kweken, om in plaats van voorgekookt en voorgesneden haastvoedsel, een degelijke maaltijd te bereiden,...
Méér vrije tijd voor iedereen betekent meteen ook een betere taakverdeling thuis wat voor mannen én vrouwen mooi meegenomen is. Ook "tijd" is immers een schaars goed : laat ons proberen het zo veel mogelijk en zo optimaal mogelijk te gebruiken.

In heel dit samenspel hebben de consumentenorganisaties (als kenners en beïnvloeders van het consumentengedrag) een grote rol te spelen : het signaleren van knelpunten naar beleid en producenten toe en het opkrikken van de kennis van de consument.

Vast staat in elk geval dat we in het domein van de voeding evenzeer ons normen- en waardepatroon drastisch zullen moeten veranderen : het syndroom van steeds méér oppotten zou definitief moeten worden ingeleverd voor andere waarden zoals een schoon milieu of een toekomst voor onze kinderen of ... om méér tijd te maken.

 

COLOFON EN BESTELLINGEN
Deze brochure is een uitgave van:
Het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties 
Riddersstraat 18, 1050 Brussel 
Tel: 02/547.06.11, fax: 02/547.06.01 
OIVO, 1994
Auteurs:
Magda De Meyer 
Ingrid Vanhaevre 
Paul Van Cappellen

De bovenstaande tekst is slechts één hoofdstuk uit een veel uitgebreidere brochure. De andere hoofdstukken zijn toegankelijk via de volledige inhoudstafel. Bovendien beschikken wij nog over een hele reeks andere interessante publicaties. Via onze site bieden wij trouwens nog een boel andere informatie en diensten aan.


vorig hoofdstuk TOP
PAGINA
INHOUD
BROCHURE
ANDERE
PUBLICATIES
HOME
ECOLIJN
volgend hoofdstuk